Laat Uw Koninkrijk Komen_Weblogafbeelding

Laat Uw Koninkrijk komen!

Gepubliceerd Thursday, 11 February, 2016 in Weblogs Gastschrijvers 1 Comment

Weblog van Bas van Twist, 6 februari 2016

Het is opvallend hoe weinig erbij de meeste gelovigen – wachters niet uitgezonderd – bekend is over het Koninkrijk van God en over de Dag des HEREN; twee begrippen die niet los gezien kunnen worden van elkaar. Op zich is dat vreemd, want Jeshua spreekt voordurend over het Koninkrijk van God en over het belang om daarbinnen te gaan:

Lucas 16:16 – 16 De Wet en de Profeten gaan tot aan Johannes: sindsdien wordt het Koninkrijk van God verkondigd, en iedereen wordt met klem genodigd binnen te komen.

Laten we daarom eens kijken wat de Bijbel ons leert over het Koninkrijk van God en over de dag des HEREN. Ik neem daarbij wel de vrijheid om binnen de lijntjes van Gods ‘schetsontwerp’ hier en daar wat vakjes in te kleuren. Ik realiseer me tegelijkertijd dat Gods Meesterplan en Zijn majesteit ons menselijk bevattingsvermogen verre te boven gaan. Om het met de woorden van Paulus te zeggen:

1 Korintiërs 13:12 – 12 Nu kijken we nog in een wazige spiegel, maar straks staan we oog in oog. Nu is mijn kennen nog beperkt, maar straks zal ik volledig kennen, zoals ik zelf gekend ben.

Geen tweede keer!

Voor een goed begrip van dit alles, moeten terug in de tijd. Terug naar het jaar 70 toen het Joodse volk door de Romeinse bezetters uit haar land werd verdreven. Voor het Joodse volk brak een verschrikkelijke tijd aan. Jeruzalem werd in de as gelegd. Ook de Tempel ging in vlammen op; er bleef geen enkele steen op de andere (Mattheüs 24:2). Ruim een derde van de Joodse bevolking in Judea werd door de Romeinse soldaten afgeslacht en miljoenen anderen moesten vluchten voor hun leven. Ook werden honderdduizenden Joodse krijgsgevangenen door de Romeinen als slaven verkocht. De diaspora was een feit. Het land werd een woestenij en werd gedurende negentien eeuwen bezet door vreemde overheersers, zoals God, bij monde van Mozes en de andere profeten, had voorzegd wanneer het volk niet naar Hem zou luisteren.

Maar God beloofde óók – zelfs nog vóór ze ook maar één stap in het Beloofde Land hadden gezet – dat Hij Zijn verbond met hen nooit zou verbreken:

Deuteronomium 30:1-5 – 1… en wanneer u ten slotte, door de HEER, uw God, uiteengejaagd en verstrooid onder alle volken, … naar de HEER, uw God, terugkeert en Hem weer met hart en ziel gaat gehoorzamen … 3 dan zal de HEER, uw God, in uw lot een keer brengen: Hij zal zich over u ontfermen en u, na u eerst verstrooid te hebben, weer uit al die landen bijeenbrengen … 5 Hij zal u terugbrengen naar het land dat uw voorouders ooit bezaten en het u weer in bezit geven.

En halverwege de vorige eeuw gebeurde dat Godswonder, dat de vervulling van deze belofte in een stroomversnelling bracht: een rest van het volk, dat de Shoah had overleefd en naar het aloude Vaderland was terug gekeerd, riep de staat Israël uit. Het visioen van de dorre doodsbeenderen werd werkelijkheid (Ezechiël 37:7-14)! Ook Jesaja profeteerde over dát wonder:

Jesaja 66:8 – 8 Wie heeft ooit zoiets gehoord? Wie heeft ooit zoiets gezien? Kan een land in één dag worden gebaard, kan een volk in één keer worden geboren? Maar Sion baart haar kinderen terwijl de weeën net begonnen zijn.

En sinds 6 juni 1967 is Jeruzalem weer herenigd en in Joodse handen. Toch duurde het nog dertien jaar, tot 30 juli 1980, voor de Knesset Jeruzalem uitriep tot de eeuwige en ondeelbare hoofdstad van Israël. Iets dat God drieduizend jaar eerder trouwens ook al had gedaan, toen Hij zei:

2 Kronieken 6:5-6 – 5 “Nooit, vanaf de dag dat Ik Mijn volk uit Egypte heb weggeleid, heb Ik één van de steden van Israëls stammen uitgekozen om er een Tempel te laten bouwen waar Mijn Naam zou wonen. En nooit heb Ik iemand aangewezen om als vorst over Mijn volk Israël te regeren. 6 Maar nu heb Ik Jeruzalem uitgekozen als woning voor Mijn Naam, en David om Mijn volk Israël te regeren.”

Maar als Jeruzalem weer in Joodse handen terug is, betekent dat dan ook niet dat de tijd van de heidenen voorbij is? Jeshua voorzegde immers dat:

Lucas 21:24 – 24 … Jeruzalem vertrapt zal worden door heidenen, tot de tijd van de heidenen voorbij is.

In Nahum lezen we dat God op een gegeven moment de plannen van Israëls vijanden zal verijdelen en dat Juda geen tweede keer wordt bedreigd. In de Herziene Statenvertaling (HSV) wordt de strekking van dit vers nog iets duidelijker:

Nahum 1:9 – 9 Geen tweede keer zal de benauwdheid opkomen.

Dus aan die benauwdheid komt volgens Nahum een definitief einde. Dát is trouwens ook wat Hosea profeteert, als hij zegt:

Hosea 6:2 – 2 Hij redt ons na twee dagen van de dood, de derde dag doet Hij ons opstaan: in Zijn nabijheid zullen wij leven.

Van Mozes en Petrus weten we dat voor God één dag is als duizend jaar en duizend jaar als één dag (Psalm 90:4; 2 Petrus 3:8). Het is duidelijk dat Hosea hieraan refereert en duizend jaar voorstelt als één dag. God belooft Zijn volk dus, bij monde van de profeet Nahum, dat er na twee dagen, na tweemaal duizend jaar, voorgoed een einde zal komen aan Israëls benauwdheid, en dat er een derde dag, een nieuw millennium, zal komen waarop God bij Zijn volk zal wonen.

Dus anders dan de meeste theologen menen, zal Israël niet nóg een keer Zijn land uitgejaagd worden en in ballingschap gestuurd worden. Nee, het Joodse volk heeft een tweeduizend jaar durende benauwdheid achter de rug. Het was een periode van minachting, vervolging en onrecht, die uiteindelijk werd afgesloten met de onwaarschijnlijke verschrikkingen van de Holocaust als de zwartste bladzijde in de geschiedenis van de mensheid.

Maar in 1948 trok God als het ware een dikke streep onder het onnoemelijke lijden van Zijn volk; stond Hij op om Zich over Sion te ontfermen (Psalm 102:14); plantte Hij hen terug in hun grond om daaruit nooit meer te worden weggerukt (Amos 9:15). God zette Zijn volk en Zijn land weer op de (wereld)kaart. En wij zijn de generatie aan het einde uit Psalm 102:19 (Ha Dor Ha Acharon), die mag zien op welke wonderbaarlijke wijze God alles aan het gereed maken is voor Zijn Koninkrijk. Want wat wij vandaag mogen zien is de introductie op het komende Rijk van God. En in dat licht moeten we ook de oproep van Jesaja lezen:

Jesaja 62:10-11 – 10 Ga door de poorten, ga erdoorheen, maak de weg vrij voor het volk. Ruim baan! Effen de weg en verwijder de stenen, steek het vaandel op voor de volken. 11 De HEER laat overal horen, tot aan de einden der aarde: ‘Verkondig aan vrouwe Sion: “Je redder komt! Zijn loon heeft Hij bij Zich, Zijn beloning gaat voor Hem uit.”‘

Dát is wat we nú zien: Zijn beloning die vóór Hem uit gaat. Voor Israël is het een zegen: zichtbaar in de terugkeer van het Joodse volk naar Eretz-Israël en het herstel van het land in vele opzichten. Maar voor de volken, die zeiden:

Psalm 83:5 – 5 … ‘Kom, wij verdelgen dit volk, Israëls naam zal nooit meer worden genoemd’

of die Israël minachten, haten zonder reden of die Israël met oneerlijke praktijken dwingen terug te geven wat ze niet heeft geroofd (Psalm 69:5), is het een vloek: zichtbaar en voelbaar in de daden die op hun eigen hoofd neerkomen (Joël 4:4-7; Obadja 1:15; Jeremia 30:16).

Een dag van wraak

Maar als Jeshua terugkomt, heeft Hij Zijn loon bij Zich. Iets verderop zegt Jesaja:

Jesaja 66:14 – 14 … De HEER zal Zijn dienaren Zijn macht tonen en Zijn vijanden Zijn verbolgenheid.

Ja, God zal afrekenen:

Jesaja 24:21-22 – 21 … in de hemel met de machten van de hemel, en op aarde met de vorsten van de aarde. 22 Dan worden zij bijeengedreven, gevangen in een kuil, opgesloten in een kerker. En na lange tijd zullen zij hun straf ontvangen.

God rekent dus af met zowel de hemelse machten, die zich in dienst hebben gesteld van Satan, als met de aardse vorsten die zich op hun beurt in dienst hebben gesteld van de hemelse machten (Jesaja 14:3-15; Daniël 10:12-21; Efeziërs 6:12). En wat Jesaja voorzegde, zag Johannes in een visioen:

Openbaring 20:1-2 – 1 Ik zag een engel uit de hemel neerdalen met de sleutel van de onderaardse diepte en zware ketenen in zijn hand. 2 Hij greep de draak, de slang van weleer, die ook duivel of Satan wordt genoemd, en ketende hem voor duizend jaren.

Maar Johannes zag nog meer:

Openbaring 20:4 – 4 Ook zag ik tronen, en aan hen die erop zaten werd recht gedaan. Het zijn de zielen van hen die onthoofd waren omdat ze van Jeshua hadden getuigd en over God hadden gesproken; … zij waren tot leven gekomen en heersten duizend jaar lang samen met de Messias. (Zie Daniël 7:22).

Het is op grond van deze tekst uit Openbaring 20 dat, als we het hebben over het Koninkrijk van God, vaak ook gesproken wordt over het ‘duizendjarig rijk’. Een theologiestudent, die betwijfelde of er wel echt een duizendjarig rijk zou komen, vroeg eens aan Corrie ten Boom: “Maar dat duizendjarig rijk wordt toch maar één keer in de Bijbel genoemd?” Waarop Corrie gevat antwoordde: “Hoe vaak moet het in de Bijbel staan wil je het geloven?” Het gaat dus bij het Koninkrijk van God en bij het duizendjarig rijk om hetzelfde Koninkrijk dat aanvangt met de wederkomst van Jeshua.

Aan het einde van het duizendjarig rijk zal Satan korte tijd worden losgelaten, zo vertelt Johannes ons, en zal Satan de volken misleiden. Hij zal dan het grootste leger ooit op de been brengen om strijd te voeren tegen Jeruzalem en zijn inwoners, in een laatste poging Gods reddingsplan te dwarsbomen. Maar, zo schrijft Johannes, Satan zal hopeloos falen, want met vuur uit de hemel zal God zijn hele legermacht verteren. En zoals Jesaja en Johannes al voorzegden, zullen Satan en zijn engelen dan na lange tijd, na duizend jaar, hun straf ontvangen; ze zullen in de poel van vuur en zwavel worden gegooid. Maar dit speelt zich dus allemaal af ná het duizendjarig rijk.

Zoals gezegd, niet alleen met de hemelse machten rekent God af, ook met de vorsten van de aarde, die tegen Hem en Zijn gezalfde hebben samengespannen en die zich tegen Hen hebben verzet (Psalm 2:2), rekent Hij af. In de profeten kunnen we daar regelmatig over lezen.

Jesaja 34:2 – 2 De HEER koestert woede tegen alle volken, Zijn toorn ontbrandt tegen heel hun legermacht. Hun wacht de vernietiging, Hij heeft hen voor de slacht bestemd.

Jeremia 25:30-31 – 30 De HEER brult uit de hoge hemel, Hij gromt vanuit Zijn heilige woning, Hij buldert over Zijn kudde. Als een druiventreder schreeuwt Hij tegen de bewoners van de aarde. 31 Tot aan de einden der aarde klinkt krijgsrumoer, want de HEER klaagt alle volken aan, Hij voert een rechtszaak tegen al wat leeft. Die boosdoeners levert Hij uit aan het zwaard – spreekt de HEER.

Schokkende woorden spreekt de almachtige God hier. Is dat de God van Israël, is dat Mijn hemelse Vader, die zulke woorden spreekt? Ja, ook dát is God, onze Vader in de hemel, want Hij kan al dat onrecht, al die slechtheid niet langer meer aanzien. Wat heeft het Zijn volk allemaal niet gekost?! Tot tweemaal toe werd een derde van Zijn volk vermoord (Zacharia 13:8)! En daarom zal God ingrijpen en zal Hij een dag van wraak laten aanbreken, een jaar van vergelding (Jesaja 34:8), waarop Hij heel de wereld zal laten boeten voor haar verdorvenheid (Jesaja 13:11-13) en in het bijzonder om wat ze met Zijn land en met Zijn volk hebben gedaan:

Ezechiël 36:5 – 5 Dit zegt God, de HEER: In het vuur van Mijn hartstocht klaag Ik Edom en al die andere volken aan. Hun hart was vol vreugde en hun ziel vol verachting toen ze Mijn land in bezit namen en er de weidegronden buitmaakten.

Jeremia 30:16 – 16 Maar wie jou (volk van Jacob) verslonden, worden zelf verslonden, al je vijanden gaan zelf in ballingschap. Elk volk dat jou plunderde, wordt zelf geplunderd, Ik maak ieder die naar buit zocht, zelf tot buit.

Als we de profeten aandachtig lezen, weten we dat die dag van wraak, waarover de profeten het hebben, niet ver meer weg kán zijn. In Ezechiël lezen we namelijk dat Gog, de machtige koning van Mesech en Tubal, bevel krijgt om met zijn vele bondgenoten op te trekken:

Ezechiël 38:8 – 8 … tegen een land dat zich nog maar net van de oorlog hersteld heeft, tegen een volk dat uit vele volken weer is samengebracht op de bergen van Israël, die lange tijd verlaten zijn geweest.

Deze Gog is een aardse manifestatie van Satan, dé tegenstander van God. De apostel Johannes noemt hem ‘de antichrist’ (1 Johannes 2:18) en Paulus omschrijft hem als ‘de wetteloze mens’ (2 Thessalonicenzen 2:8), terwijl hij in Openbaring beschreven wordt als ‘het beest’ (Openbaring 14:18). Het zijn allemaal verschillende aardse verschijningen van de duivel, de tegenstander van God.

Het is opvallend dat God Zelf Gog en al zijn bondgenoten beweegt op te trekken tegen Zijn land en volk. Tegen het Joodse land, niet lang nadat het zich van de oorlog hersteld heeft en tegen het Joodse volk nadat het uit vele volken weer is samengebracht op de bergen van Israël.

Ook uit de mond van de profeet Joël klinken soortgelijke woorden:

Joël 4:1-3 – 1 In dezelfde tijd dat Ik het lot van Juda en Jeruzalem ten goede keer, 2 zal Ik alle heidenvolken bijeenbrengen en wegvoeren naar de vallei van Josafat om daar een oordeel over hen te vellen. Want zij hebben Mijn volk Israël, Mijn eigendom, onder vreemde volken verstrooid, ze hebben Mijn land verdeeld (VN Resolutie 181) 3 en om Mijn volk het lot geworpen;

Vallei van Josafat

In de vallei van Josafat zal dus de grote afrekening plaatsvinden. De naam ‘Josafat’ betekent veelzeggend: de Heer houdt gericht.

Waar is die vallei? Sommigen vereenzelvigen het dal van Josafat met het dal van Meggido, in het noorden van Israël, omdat volgens Openbaring 16:14-16 alle koningen op aarde op de grote dag, de dag des HEREN, bijeengebracht worden voor de strijd op een plaats die in het Hebreeuws Harmagedon heet en die naam zou verwijzen naar de heuvel (= Har) Meggido, aan de zuidelijke rand van de vlakte van Jizreël.

Maar steeds meer taalkundigen zijn het erover eens dat Harmagedon niet verwijst naar de heuvel Meggido, maar is afgeleid van Arema-ge-don, wat zoveel betekent als: vallei van de Rechter over de geoogste stapel (schoven). Harmagedon zou dan dus niet verwijzen naar de naam van een heuvel, maar naar een vallei, een dal, waar geoordeeld gaat worden, waar met een scherpe sikkel geoogst gaat worden (Jesaja 63:3-6; Jeremia 25:30; Lucas 3:17; Openbaring 14:14-20).

De meeste Bijbelgeleerden – en ik sluit me daarbij aan – menen dat de vallei van Josafat gezocht moet worden in de buurt van Jeruzalem, omdat de strijd immers om Jeruzalem gaat en het volk van Jacob in Jeruzalem een schuilplaats zal vinden (Zacharia 12:1-3 (hsv), 14:2-5 (hsv); Joël 4:16). Zij denken dat met de vallei van Josafat het tegenwoordige Kidrondal wordt bedoeld, het dal tussen de Tempelberg en de Olijfberg.

Wat brengt die heidenvolken ertoe om op te trekken naar Jeruzalem? kun je je afvragen. Het zou mij niet verbazen als daaraan een besluit van de Veiligheidsraad voorafgaat. Op grond van artikel 42 van het VN-Handvest kan de Veiligheidsraad besluiten om militair in te grijpen als de internationale vrede en veiligheid in het geding is. Gezien de gewijzigde politieke verhoudingen in de wereld en de groeiende angst voor het islamitisch terrorisme, is het zeker niet ondenkbaar dat de Veiligheidsraad over niet al te lange tijd zal besluiten, dat Israël een bedreiging vormt voor de wereldvrede, omdat Israël haar exclusieve aanspraken op de Tempelberg niet wil opgeven en daarmee de hele islamitische wereld schoffeert en uitdaagt.

Maar ongetwijfeld zullen ook de recent ontdekte olie- en gasvelden in de Israëlische zeebodem daarbij een rol spelen. Die olie- en gasvelden behoren tot de grootste en rijkste velden ter wereld.

Hoe dan ook, er zal een moment aanbreken dat een internationale troepenmacht zal optrekken naar Jeruzalem met de bedoeling om voor eens en altijd af te rekenen met de Joodse hegemonie:

Zacharia 12:2 (hsv) – 2 Zie, Ik ga Jeruzalem maken tot een bedwelmende beker voor alle volken rondom, ja, ook tegen Juda zal het gaan bij de belegering van Jeruzalem.

Maar dan, op die dag, zal God laten zien dat er met Hem niet te spotten valt.

Zacharia 12:9 – 9 Op die dag zal Ik alles in het werk stellen om de heidenvolken uit te roeien die Jeruzalem belagen.

“Abba, red ons!”

De internationale legermacht die het Joodse land als een wolk dreigt te overdekken, zal Israël grote angst inboezemen. Hoe kan het ook anders. Maar God zal Zijn volk op miraculeuze wijze redden (Micha 7:15), net als toen het volk was ingesloten tussen het leger van de Farao achter hen en de Rode Zee voor hen. Hun angst voor de grote legermacht die hen bedreigt, zal de aanleiding zijn om eensgezind, als één volk, hun hemelse Vader te zoeken. Als in de dagen van koning Josafat – naar wie de vallei is vernoemd – zal het volk de HEER aanroepen met de woorden:

2 Kronieken 20:12 – 12 Wij zijn niet opgewassen tegen de grote legermacht die ons nu aanvalt. Wij weten niet wat we moeten doen, op U zijn onze ogen gevestigd.

Ze zullen het uitschreeuwen: “Abba, red ons!” En uit het volk zal er een profeet opstaan, zoals Jachaziël in de dagen van Josafat, die zal zeggen:

2 Kronieken 20:15-17 – 15 … ‘Jullie hoeven niet bang te zijn voor de grote legermacht die jullie bedreigt, want dit is niet jullie strijd, maar die van God … 17 Jullie hoeven in deze strijd geen slag te leveren. Wacht rustig af, dan zullen jullie zien hoe de HEER, die jullie, Juda en Jeruzalem, bijstaat, voor jullie de overwinning behaalt. Jullie hoeven nergens bang voor te zijn.’

Het teken

Terwijl het volk door deze woorden zal worden bemoedigd, zal er aan de hemel een opmerkelijk teken verschijnen, dat de komst van de Mensenzoon aankondigt (Mattheüs 24:30).

Wat voor teken zou dat zijn? Het ligt het meest voor de hand dat het een opvallend stralende ster is. In de Bijbel wordt de Messias namelijk vaker vergeleken met een ster of een licht. Zo profeteert Biliam:

Numeri 24:17-19 – 17 Wat ik zie is niet in het heden, wat ik waarneem is niet nabij. Een ster komt op uit Jakob, een scepter uit Israël.

In Jesaja lezen we over de Messias:

Jesaja 49:6 – 6 … Ik zal je maken tot een licht voor alle volken, opdat de redding die Ik brengen zal tot aan de einden der aarde reikt.

En als de wijzen uit het Oosten Jeruzalem bezoeken, vragen ze:

Mattheüs 2:2 – 2 … Waar is de pasgeboren Koning van de Joden? Wij hebben namelijk Zijn ster zien opgaan en zijn gekomen om Hem eer te bewijzen.

In Openbaring wordt het wellicht nog het meest duidelijk. Daar staat:

Openbaring 22:16 – 16 ‘Ik, Jeshua, heb Mijn engel gestuurd om jullie deze dingen bekend te maken voor de gemeenten. Ik ben de Telg van David, zijn nakomeling, de stralende Morgenster.

Zijn verschijning

Wanneer iedereen nog druk aan het speculeren is over dat uitzonderlijke teken aan de hemel, wat dat te betekenen heeft, zullen plotseling de hemellichamen beginnen te wankelen en zal de aarde beginnen te beven en van haar plaats raken. En dan ineens verschijnt daar op de wolken des hemels, omringd door ontelbare engelen: Jeshua de Messias, de Mensenzoon, de Zoon van God (Mattheüs 24:30).

En terwijl velen in angst en beven wachten op de dingen die gaan gebeuren, klinkt daar het alarmerende geluid van een sjofar. Het is het teken voor de engelen, die Jeshua omringen, om uit te zwenken naar plaatsen ver weg en dichtbij om Gods uitverkorenen te verzamelen uit de vier windstreken, van het ene einde van de aarde tot het andere (Mattheüs 24:31).

Mattheüs 24:39-41 – 40 Dan zullen er twee op het land aan het werk zijn, van wie de één zal worden meegenomen en de ander achtergelaten. 41 Van twee vrouwen die samen aan de molen draaien, zal de ene worden meegenomen en de andere achtergelaten.

Lucas 17:34 – 34 … die nacht zullen er twee in één bed liggen: de één zal worden meegenomen, de ander achtergelaten.

Herkenning en erkenning

En terwijl Gods engelen Zijn uitverkorenen bijeenbrengen, gebeurt er nog iets ongekends: JHWH opent de ogen van Zijn volk voor Zijn Gezalfde, Hij neemt de verharding weg, die voor een deel over Israël was gekomen (Romeinen 11:25). Om het met de woorden van Mozes te zeggen: Zij waren al die eeuwen getuigen geweest van Gods grootse daden, tekenen en wonderen, maar pas dán zal God hen werkelijk inzicht geven, hen de ogen en oren openen (Deuteronomium 29:2-3) en zullen ze Jeshua, hun Broer en Redder, herkennen en erkennen:

Zacharia 12:10 (nbv/hsv) – 10 Zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben. Zij zullen over Hem rouw bedrijven, als met de rouwklacht over een enig kind; hun verdriet zal zo bitter zijn als het verdriet om een oudste zoon.

Het zal de dag zijn waarop God Zijn volk zal reinigen van alle wandaden waarmee het tegen Hem gezondigd heeft, het zal de dag zijn waarop Hij hen alle wandaden zal vergeven waarmee het willens en wetens tegen Hem gezondigd heeft (Jeremia 33:8, 31:34). Ja, in één enkele dag zal Hij het land reinigen van alle schuld (Zacharia 3:9). Ook de profeet Jeremia getuigt ervan dat God Zijn volk op die dag al hun wandaden zal vergeven; er zullen geen zonden meer op hun rekening staan (Jeremia 50:20). Er is niets meer te betalen!

Ik wil hier even bij stil staan, want het is zo ongelooflijk mooi wat hier wordt gezegd, dat anders de diepe betekenis ervan ons ontgaat. Het is namelijk door het lijden en sterven van Jeshua, de Mensenzoon, dat deze beloften vervuld kunnen worden. In dat lijden en sterven wordt de glorie van de Zoon en de Vader geopenbaard, want – om het met de woorden van Petrus te zeggen – in Zijn lichaam droeg Hij de zonden van Israël en van ons allemaal het kruishout op (1 Petrus 2:24). En daardoor kan de duivel geen beschuldigingen meer aandragen voor de troon van God, daardoor heeft Satan geen poot meer om op te staan en is het gedaan met zijn heerschappij over de wereld.

Het moment dat God de ogen van Zijn volk opent, zal ook het uur zijn waarop Hij Israël zal redden van zijn vijanden. Het zal het moment dat Israël zijn vertrouwen volledig zal stellen op de HEER en met David zal belijden:

Psalm 56:10 – 10 In het uur dat ik U aanroep wijken mijn vijanden, want dit weet ik: God staat mij terzijde.

Wat een geweldig vooruitzicht voor het volk van Jacob! Heel het volk van Jacob zal op dat moment worden als herboren. Niet een deel, maar héél Israël. Zoals God heeft beloofd om Zijn volk geheel bijeen te brengen en niemand achter te laten (Ezechiël 39:28), zo heeft Hij ook beloofd dat:

Romeinen 11:25-26 – 26 … heel Israël (zal) worden gered, zoals ook geschreven staat: ‘De redder zal uit Sion komen, en wentelt dan de schuld af van Jakobs nageslacht. (Zie Maleachi 3:17).

Honderdvierenveertigduizend

In het laatste Bijbelboek lezen we eveneens over deze wonderlijke uitredding van Israël. Daar wordt Israël voorgesteld als de honderdvierenveertigduizend, die Gods zegel op hun voorhoofd krijgen, voordat Gods toorn over de aarde wordt uitgestort (Openbaring 7:4 en 14:3-4). Deze honderdvierenveertigduizend – twaalfduizend uit elke stam van Israël, vermeldt Johannes erbij – moeten eerst in veiligheid worden gebracht voordat het tumult losbarst.

De rekenmeesters onder ons weten dat honderdvierenveertigduizend het product is van twaalf maal twaalf maal duizend. In de Bijbel duidt twaalf enerzijds op Gods heerschappij en anderzijds op de compleetheid van het volk Israël – denk bijvoorbeeld aan de twaalf stammen en de twaalf apostelen (Genesis 49:1-28; Mattheüs 10:1-5). Duizend staat in de Bijbel voor Gods volmaaktheid. Je zou dus kunnen zeggen dat die honderdvierenveertigduizend duidt op de volmaakte compleetheid van Israël.

Ik kan het niet anders zien, dan dat met de honderdvierenveertigduizend – twaalf maal duizend uit elke stam van Israël – gedoeld wordt op héél Israël. En dan bedoel ik letterlijk alle nakomelingen van Jacob, ook die gestorven zijn – ik kom daar zo dadelijk nog op. Met andere woorden: eerst zal geheel Israël in veiligheid moeten zijn gebracht, voordat Gods toorn op aarde losbarst.

Een onafzienbare menigte

Maar behalve de honderdvierenveertigduizend ziet Johannes ook nog:

Openbaring 7:9-16 – 9 … een onafzienbare menigte, die niet te tellen (is), uit alle landen en volken, van elke stam en taal. In het wit gekleed en met palmtakken in hun hand (staan) ze voor de troon en voor het Lam.

En dag en nacht loven ze de levende God. Het blijken de mensen te zijn uit de heidenvolken, die Jeshua als hun Verlosser hebben aanvaard. Samen met heel Israël zullen zij in veiligheid worden gebracht vóór het tumult losbarst en zullen ze Gods Koninkrijk mogen binnengaan.

Anders dan het volk Israël – de honderdvierenveertigduizend – zijn de heidenvolken nog niet compleet in Gods Koninkrijk. Nóg niet, want er klinkt een hoopvolle belofte door in de woorden van Johannes, als hij schrijft dat zij, de honderdvierenveertigduizend:

Openbaring 14:4 – 4 … uit de mensheid (zijn) vrijgekocht om als de eerste opbrengst te worden aangeboden aan God en aan het Lam.

In Jesaja lezen we soortgelijke woorden:

Jesaja 60:21 – 21 Je volk telt enkel nog rechtvaardigen, zij zullen het land voorgoed bezitten. Zij zijn de eerste scheuten van wat Ik heb geplant, Ik heb hen gemaakt om Mijn luister te tonen.

Uit alle volken op aarde zal God dus eerst het gehele volk van Israël redden (2 Samuel 7:23), als de eerste scheuten van wat Hij heeft geplant, als de eerste opbrengst uit de mensheid die Hij heeft vrijgekocht (Jesaja 62:12). Maar het woord eerste impliceert wel dat er meerdere scheuten zullen opkomen, meer opbrengst zal zijn! En dát is ook precies de betekenis van het eerstgeboorterecht van Israël, Gods eerstgeboren Zoon (Exodus 4:22).

Eerstgeboorterecht

In Israël behoorde de eerstgeboren zoon de HEER toe (Exodus 13:11-15; Numeri 3:11-13; Lucas 2:22-24). Met andere woorden: Israël, als Gods eerstgeboren zoon, behoort dus de HEER toe.

In Israël kreeg de eerstgeboren zoon een dubbel deel uit de nalatenschap (Deuteronomium 21:17). Maar aan het eerstgeboorterecht zat daarnaast een veel belangrijker, geestelijk aspect: via het eerstgeboorterecht verbond God Zich namelijk met de eerstgeboren zoon en werd via hem de zegen doorgegeven aan de andere gezinsleden.

Dat geestelijk aspect van het eerstgeboorterecht zien we onder andere terugkomen in de verkiezing van Izaak en Jacob. Zij waren niet letterlijk de eerstgeboren zoon van hun vader, maar zij kregen wél het eerstgeboorterecht. Waarom? Omdat God het was die hen verkoos: Izaak boven Ismaël en Jacob boven Ezau. Via Izaak en Jacob wilde God Zijn wonderlijke heilsgeschiedenis laten verlopen voor Israël en uiteindelijk voor de wereld. Zo wilde God het en niet anders. Zijn Reddingsplan ging zelfs tegen de natuur in, want zowel Sarai als Rebekka waren onvruchtbaar (Genesis 11:30, 25:21; Hebreeën 11:11), zoals trouwens meer geloofsheldinnen.

Dus ín degene met wie God Zich verbond, ín degene die Hij als eerstgeboren zoon verkoos, werden de andere gezinsleden gezegend. En dát beeld vinden we terug in de verhouding tussen Israël en de heidenvolken. God heeft Zich met het volk Israël, Zijn eerstgeboren zoon, verbonden, om voor de andere volken, de andere gezinsleden, tot zegen te zijn. Dát is ook precies wat God aan Abram beloofde, toen Hij zei:

Genesis 12:3 (hsv) – 3 … in jou zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.

Maar dat betekent ook dat er zónder Israël géén zegen, geen redding voor de heidenvolken is. Want Jeshua is immers:

Mattheüs 15:23 – 23 … alleen gezonden naar de verloren schapen van het huis van Israël.

Om het in de woorden van Paulus te zeggen: pas als wij, als wilde loten, zijn geënt op de edele olijfboom, kunnen we deelkrijgen aan zijn saprijke wortel (Romeinen 11:17-18), mogen we volop meedelen in Gods genade voor Israël. Om in dat verband een ander beeld van Paulus te gebruiken, dan zijn we:

Efeziërs 2:19-20 – 19 … dus geen vreemdelingen of gasten meer, maar burgers, net als de heiligen, en huisgenoten van God, 20 gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, met Messias Jeshua Zelf als de hoeksteen.

Als gelovigen uit de heidenen mogen wij dus volwaardig delen in Gods genade voor Israël.

Opstanding der doden

Maar laten we even teruggaan naar het moment waarop iedereen het geluid van de sjofar hoort en ziet hoe de engelen Gods uitverkorenen ophalen. Want dat moment blijkt nóg veel mooier te zijn. Het zal namelijk het langverwachte moment zijn dat de doden, die de HEER toebehoren, zullen worden opgewekt (1 Thessalonicenzen 4:16; Ezechiël 37:12; Openbaring 20:5). Onze Schepper is immers geen God van doden, maar van levenden (Mattheüs 22:32).

Jesaja 26:19 (gnb) – 19 Maar wie U toebehoren, HEER, de doden van mijn volk, zullen leven, weer opstaan. Wie in de aarde ligt: Ontwaak en juich! Uw dauw, HEER, is een levenwekkende dauw, door Uw dauw geeft de aarde haar doden terug.

Psalm 22:30 – 30 Ook zullen voor Hem knielen wie in het graf zijn neergedaald, wie hun leven niet konden behouden.

Jeshua verwijst ook meermaals naar de laatste dag waarop Hij de doden, die bij Hem horen, zal opwekken:

Johannes 6:39-40 – 39 Dit is de wil van Hem die Mij gezonden heeft: dat Ik niemand van wie Hij Mij gegeven heeft verloren laat gaan, maar dat Ik hen allen laat opstaan op de laatste dag. 40 Dit wil Mijn Vader: dat iedereen die de Zoon ziet en in Hem gelooft, eeuwig leven heeft, en dat Ik hen op de laatste dag uit de dood zal opwekken.

In Openbaring lezen we dat de andere doden niet tot leven zullen komen voordat de duizend jaar voorbij zijn. Maar als de duizend jaar voorbij zijn, zullen ook zij opstaan. Johannes beschrijft het zo, wat hij dan ziet:

Openbaring 20:5-15 – 11 Toen zag ik een grote witte troon en Hem die daarop zat … 12 Ik zag de doden, jong en oud, voor de troon staan. Er werden boeken geopend. Toen werd er nog een geopend: het boek van het leven. De doden werden op grond van wat in de boeken stond geoordeeld naar hun daden. 13 De zee stond de doden die ze in zich had af, en ook de dood en het dodenrijk stonden hun doden af. En iedereen werd geoordeeld naar zijn daden.

Onvergankelijkheid

Over de opstanding van de doden en over de mensen die door de engelen worden meegenomen, vertelt Paulus ons nog een geheimenis: de levenden die de Messias toebehoren hoeven niet eerst te sterven om een opstandingslichaam te krijgen. Als de laatste sjofar klinkt, zo zegt Paulus, dan zullen degenen, die dan leven, in een ondeelbaar ogenblik, in een oogwenk, een onvergankelijk, een hemels lichaam krijgen. Maar de doden die de Messias toebehoren, gaan de levenden die bij Hem horen vóór. Zij zullen eerst opstaan en een verheerlijkt lichaam krijgen, en dan pas de levenden die Jeshua toebehoren. Maar, zo zegt Paulus, ze zullen samen op de wolken worden weggevoerd Jeshua tegemoet (1 Korintiërs 15:50-55; 1 Thessalonicenzen 4:16-18). En daarom kan Joël ook profeteren dat op de laatste dag:

Joël 3:5 (nbv/hsv) – 5 … ieder die de naam van de HEER aanroept ontkomen (zal): Want op de berg Sion en in Jeruzalem zal ontkoming zijn, zoals de HEER heeft beloofd; ieder die Hij roept zal worden gered.

Vergankelijkheid

Maar hoe zit het dan met al die mensen die niet in God en Jeshua geloven? zul je je afvragen. Wel, zij houden hun aardse, vergankelijke lichaam en zullen dus een keer sterven. Zij kunnen geen deel hebben aan Gods Koninkrijk in de volheid en intensiteit zoals de mensen die Jeshua toebehoren dat hebben. Want, zo zegt Paulus:

1 Korintiërs 15:50 – 50 … wat uit vlees en bloed bestaat kan geen deel hebben aan het Koninkrijk van God; het vergankelijke krijgt geen deel aan de onvergankelijkheid.

Dat wil beslist niet zeggen dat zij niets zouden merken van het Koninkrijk van God. Natuurlijk wel, alleen zijn zij er zelf geen onderdeel van. Maar de mensen die nog een sterfelijk lichaam hebben, leven wél op een aarde, die alleen nog maar rust en vrede kent, omdat de kennis van de HEER de aarde zal vervullen (Jesaja 2:4, 11:9, 14:7). En omdat de leefomstandigheden op aarde vele malen beter zullen zijn dan nu, zullen ook de sterfelijke mensen veel gelukkiger en veel gezonder zijn en veel ouder worden.

Ongetwijfeld zullen veruit de meeste mensen, die hun aardse lichaam hebben gehouden, alsnog de HEER aanbidden en erkennen dat Hij door Zijn Zoon Jeshua redding heeft gebracht voor elk mens, dus ook voor hen. Zegt God Zelf ook niet dat voor Hem elke knie zich zal buigen (Jesaja 45:23; Filippenzen 2:9-11)?

Be­loning naar daden

In Gods Koninkrijk gelden overigens heel andere waarden en normen dan in onze samenleving, hoe fraai sommige daarvan ook in onze westerse, humanistische oren mogen klinken. Zo kent Gods Koninkrijk geen maatschappelijke gelijkheid, solidariteit, individuele vrijheid of gelijkwaardigheid, zoals wij dat nastreven. Op meerdere plaatsen in de Bijbel lezen we dat, wanneer Jeshua in Zijn majesteit wederkomt, Hij iedereen naar zijn daden (zal) belonen (Mattheüs 16:27; Openbaring 22:12; 1 Korintiërs 3:10-15; Mattheüs 19:29). Iedereen krijgt dus, zo zou je kunnen zeggen, een ‘persoonsgebonden’ beloning. Dus niemand is gelijk aan de ander, maar allen zijn verschillend van elkaar. En daarom zijn er ook heel veel verschillende functies, ambten, rangen en standen in Gods Koninkrijk, met verschillende gaven, taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden. In Ezechiël lezen we daar een mooi voorbeeld van:

Ezechiël 44:10-16 – 10 De Levieten die zich van Mij hebben afgewend … moeten in Mijn heiligdom dienstdoen als poortwachters en tempeldienaren … 13 Ze mogen niet in Mijn nabijheid komen om Mij als priester te dienen, ze mogen bij geen van Mijn heilige of allerheiligste voorwerpen komen … 15 Maar de Levitische priesters … die zorg droegen voor Mijn heiligdom toen de Israëlieten zich van Mij afkeerden, mogen in Mijn nabijheid komen om Mij te dienen; … 16 Ze mogen in Mijn heiligdom komen en dienstdoen bij Mijn tafel;

Verder lezen we dat God aan de twaalf discipelen een hoge positie toekent in Zijn Koninkrijk. Jeshua belooft hen:

Lucas 22:29-30 – 29 Ik bestem jullie voor het koningschap zoals Mijn Vader Mij voor het Koningschap bestemd heeft: 30 jullie zullen in Mijn koninkrijk eten en drinken aan Mijn tafel, en zetelen op een troon om recht te spreken over de twaalf stammen van Israël.

Olijfberg

Ik ga nu terug naar het moment waarop Jeshua in Zijn hemelse majesteit verschijnt. Als de sjofar heeft geklonken en Hij Zijn engelen heeft uitgezonden om Zijn uitverkorenen te verzamelen, zal Hij, zo lezen we in Zacharia 14:4, Zijn voeten planten op de Olijfberg – uitgerekend de plaats vanwaar Hij Zijn discipelen vertelde over de laatste dagen en over Zijn wederkomst. Zijn ‘landing’ op de Olijfberg zal een zware aardbeving veroorzaken, waardoor de berg in tweeën zal splijten: de ene helft zal wegglijden naar het noorden en de andere naar het zuiden, zodat er een breed dal zal ontstaat van oost naar west. Het dal zal reiken tot aan Asel, een vallei ten zuiden van Jeruzalem.

‘Asel’ betekent veelzeggend: God heeft voorbehouden. Anders gezegd: God heeft voor deze bijzondere gelegenheid een plaats gereserveerd voor Zijn volk. In dat enorme dal zal het volk van Jacob een veilig onderkomen vinden. Zoals God destijds de Rode Zee deed splijten en een doorgang maakte voor Zijn volk op de vlucht voor het leger van de Egyptenaren, zo zal God de Olijfberg splijten om een doorgang te maken voor Zijn volk op de vlucht voor de internationale troepenmacht. Het zal hét moment zijn waarop het benauwde Israël zal inzien dat alleen de HEER over hen waakt, dat alleen Hij een toevlucht voor hen is en hen bescherming biedt (Psalm 56:10; Psalm 91; Jesaja 34:8; Joël 4:16; Obadja 1:16-17; Zacharia 12:3-5).

Dag van toorn

Terwijl God Zijn volk en allen die Jeshua toebehoren in veiligheid brengt, zal Hij zo’n paniek laten uitbreken onder de internationale troepenmacht, dat de legers onderling slaags raken (Zacharia 14:13; Ezechiël 38:21). Daarnaast zal Hij de legers treffen met een afgrijselijke plaag, erger dan de tien plagen van Egypte tezamen:

Zacharia 14:12 – 12 … terwijl ze nog levend rondlopen, zal Hij hun vlees laten wegteren van hun botten, hun ogen laten wegrotten in hun kassen en hun tong laten wegrotten in hun mond.

Maar niet alleen de internationale troepenmacht zal Gods woede voelen, nee, heel de aarde zal getroffen worden door Gods toorn. Het zal voor de volken – in de woorden van Sefanja – een dag zijn van razernij, van angst en benauwdheid, van rampspoed en onheil, van duisternis en donkerheid, van dreigende, donkere wolken (Sefanja 1:14-18; Jesaja 24:1-13; Habakuk 3:12-13). Grote en kleine steden zullen door een zware aardbeving worden verwoest. De kustlanden zullen te maken krijgen met allesvernietigende tsunami’s. Uit de hemel zal het loodzware hagelstenen, zwavel en vuur regenen. En aanhoudend zal de verduisterde hemellucht opgelicht worden door bliksemschichten, gepaard gaande met een groot geraas en donderslagen (Openbaring 16:18; Psalm 11:6). De mensen op aarde zullen onmachtig van angst worden voor wat er met de wereld gaat gebeuren, ze zullen rondlopen als blinden (Lucas 21:26; Sefanja 1:17). Johannes schrijft over de grote dag van Gods toorn, over de dag des HEREN:

Openbaring 6:15-17 – 15 Koningen, machthebbers, legeraanvoerders, rijken, aanzienlijken, slaven en vrije mensen, iedereen trachtte zich te verbergen in grotten en tussen de rotsen in de bergen. 16 Ze riepen de bergen en de rotsen toe: ‘Val op ons neer! Verberg ons voor het oog van Hem die op de troon zit en voor de toorn van het Lam! 17 Want nu is de grote dag van Hun toorn aangebroken, en wie kan die doorstaan?’

En ook David – aan wie God beloofde dat zijn koningshuis eeuwig zou voortbestaan en zijn troon nooit zou wankelen (2 Samuel 7:16) – voorzag dat op deze oordeelsdag die belofte werkelijkheid zou worden:

Psalm 110:1, 5-6 (nbv/hsv) – 1 De HEER spreekt tot mijn Heer (Jeshua): ‘Neem plaats aan Mijn rechterhand, Ik maak van Je vijanden een bank voor Je voeten.’ … 5 De Heer aan Uw rechterhand verplettert koningen op de dag van Zijn toorn. 6 Hij spreekt recht onder de heidenvolken, vult het slagveld met dode lichamen en verplettert hem die het hoofd is over een groot land. (Zie Ezechiël 38-39).

Reken maar dat er door al dat natuurgeweld nóg meer paniek zal uitbreken en chaos zal ontstaan onder de troepen, die klaar staan om Jeruzalem aan te vallen. Ja, de machtigen der aarde, die zeiden:

Psalm 83:13 – 13 … ‘Wij bezetten het land waar God Zijn woning heeft’

zullen door de Almachtige worden weggevaagd, ze zullen sneuvelen op de bergen van Israël en in het open veld. Jesaja profeteert daarover:

Jesaja 34:2 – 2 Hun wacht de vernietiging, Hij heeft hen voor de slacht bestemd.

De legers, die zullen optrekken om Israël aan te vallen en Jeruzalem in te nemen, zullen totaal vernietigd worden en in Israël hun graf vinden (Ezechiël 38:18-22; Joël 4:9-16; Zacharia 14:4-5; Openbaring 19:11-21). Ze zullen worden begraven in het Dal der Passanten, ten oosten van de Dode Zee, dat vanaf dan het ‘Dal van het leger van Gog’ zal worden genoemd. De Israëlieten zullen hen begraven om het land te reinigen, en daar zullen ze zeven maanden over doen (Ezechiël 39:11).

Het is het oordeel van God over de zelfgenoegzame volken, die Zijn volk steeds harder hadden aangepakt. Geen volk uitgezonderd. Want niet één volk nam het in al die eeuwen op voor Zijn veelgeplaagde volk. In Jesaja lezen we hoe dit God mishaagt:

Jesaja 63:3-6 – 3 Ik heb de perskuip alleen getreden, geen van de volken hielp Me daarbij. Ik trad hen in Mijn woede, vertrapte hen in Mijn toorn. Hun bloed bespatte Mijn kleren, al Mijn kleren werden besmeurd. 4 Ik had besloten tot een dag van wraak, het jaar van vergelding was aangebroken. 5 Toen zag Ik dat er niemand was die hielp, Ik was geschokt dat niemand Mij aanmoedigde. Op eigen kracht bracht Ik redding, door Mijn woede aangespoord. 6 Ik heb de volken in Mijn woede vertrapt, met Mijn toorn heb Ik hen dronken gevoerd. Hun bloed liet Ik op aarde neervloeien. (Zie Jeremia 25:30; Openbaring 14:14-20).

Als we op ons in laten werken, welk scenario God in petto heeft voor de heidenvolken die Zijn volk, Zijn oogappel (Zacharia 2:12), willen aanvallen en plunderen, dan kunnen we alleen maar met de profeet Habakuk zeggen:

Habakuk 3:16 (nbv/nbg) – 16 Ik hoorde dit alles en ik beefde vanbinnen, ik vernam het en mijn lippen trilden. Mijn botten werden aangevreten, ik stond te trillen op mijn benen; toch zal ik rustig afwachten de dag der benauwdheid, wanneer die aanbreken zal …

Het Koninkrijk van God

Maar als God heeft afgerekend met Zijn vijanden, zal eindelijk, na zes Goddelijke dagen, de Messiaanse rustdag aanbreken. Dan zal God Zijn Koninkrijk, het duizendjarig rijk grondvesten (Jesaja 2:2-3, 25:6-8; Daniël 2:44, 7:18, 27; Mattheüs 13:41-43; Hebreeën 4:9-10; Openbaring 20:4-6) en zullen we eindelijk zien dat God alles, maar dan ook alles, aan het gezag van Zijn Zoon heeft onderworpen (Hebreeën 2:8). Dan zal Israël ten slotte tot Zijn bestemming komen.

Maar aan het begin van het duizendjarig rijk zal eerst nog heel veel werk verricht moeten worden. Vele handen zullen uit de mouwen gestoken moeten worden om de ravage van de oordeelsdag op te ruimen. Ik denk dat in eerste instantie vooral de gelovigen uit de heidenvolken deze opruimwerkzaamheden zullen gaan uitvoeren, want de Israëlieten zijn immers de eerste zeven maanden bezig met het begraven van de legers die hen wilden aanvallen. En hoe ongevoelig dat ook in onze oren klinkt, dát zal Israël tot eer strekken (Ezechiël 39:12).

Ik stel me zo voor dat – zeker in het begin – vanuit Israël allerlei bouwkundigen, ingenieurs, groenvoorzieners en agrariërs worden uitgezonden, om overal ter wereld leiding te gaan geven aan de wederopbouw. En vele Joodse artsen en verpleegkundigen zullen erop uittrekken om, waar dat nodig is, gewonden te behandelen en te verzorgen, net zoals Magen David Adom dat nu al doet in rampgebieden.

Maar met Gods hulp zal het duizendjarig rijk in alle opzichten spoedig zichtbaar en voelbaar worden: eerst in Israël en daarna in de rest van de wereld. In elk geval zal, als één van de eerste dingen, de Tempel worden herbouwd, die mooier zal worden dan wélk gebouw ter wereld dan ook. Verder zullen de infrastructuur, de steden, de akkers, de weilanden, de wijn- en olijfgaarden hersteld worden of opnieuw aangelegd worden. Die herstelwerkzaamheden zullen uiteraard tientallen jaren in beslag nemen. Maar daar zal het niet bij blijven. Alles zal voortdurend verfraaid, verbeterd en uitgebreid worden, totdat het zal zijn, zoals de profeet Jesaja beschrijft. Een bloemlezing:

32:17-18 – Mijn volk zal wonen in een oase van vrede, een veilige woonplaats, een oord van ongestoorde rust … 2:4 – Geen volk zal nog het zwaard trekken tegen een ander volk, geen mens zal meer weten wat oorlog is … 14:7 – Overal op aarde is rust en vrede, vrolijk gejubel weerklinkt … 29:18 – Op die dag zullen doven kunnen horen hoe uit een boek wordt voorgelezen, en blinden zullen met eigen ogen zien, bevrijd van duisternis en donkerheid … 35:6 – Verlamden zullen springen als herten, de mond van stommen zal jubelen … 33:24 – Geen inwoner zegt nog: ‘Ik ben ziek,’ de hele bevolking is van schuld bevrijd … 25:8 – Voor altijd doet Hij de dood teniet. God, de HEER, wist de tranen van elk gezicht … 55:12 – Vol vreugde zullen jullie uittrekken en in vrede zul je huiswaarts keren. Bergen en heuvels zullen je juichend begroeten, en alle bomen zullen in de handen klappen … 65:18-22 – Ik herschep Jeruzalem in een jubelende stad en schenk haar bevolking vreugde. Dan zal Ik over Jeruzalem jubelen en Mij verblijden over Mijn volk. Geen geween of geweeklaag wordt daar nog gehoord … 11:6-9 – Dan zal een wolf zich neerleggen naast een lam, een panter vlijt zich bij een bokje neer; kalf en leeuw zullen samen weiden en een kleine jongen zal ze hoeden … Niemand doet kwaad, niemand sticht onheil op heel Mijn heilige berg. Want kennis van de HEER vervult de aarde, zoals het water de bodem van de zee bedekt.

Wát een vooruitzicht als Jeshua straks Koning zal zijn over het volk van Jakob (Lucas 1:30-33; Jesaja 9:5-6). In Gods Koninkrijk zal er vrede en rust zijn, zal er geen angst, stress, onderdrukking, vervolging of verdriet meer zijn. Ons opstandingslichaam zal ervoor zorgen dat we nooit meer ziek zijn of pijn hebben. Doven zullen horen, blinden zullen zien, stommen zullen jubelen en verlamden zullen springen. Overal zal er blijdschap zijn. Niemand zal nog kwaad doen en iedereen zal vervuld zijn met ontzag voor de HEER, zelfs de dieren, de bomen, de heuvels en de rivieren.

Het gezag en de autoriteit die God Zijn Zoon heeft gegeven, zal niet alleen in Israël, maar overal op aarde worden herkend en erkend, omdat Jeshua als Koning een wijs beleid zal voeren en overal op aarde recht en gerechtigheid zal handhaven (Jeremia 23:6; Micha 5:3).

Jesaja 11:2 – 2 De geest van de HEER zal op Hem rusten: een geest van wijsheid en inzicht, een geest van kracht en verstandig beleid, een geest van kennis en ontzag voor de HEER.

Jeshua’s wijsheid en onderscheidingsvermogen en Zijn allesomvattende kennis van zaken, zal iedereen met ontzag vervullen. Overal vandaan zullen staatshoofden en hoogwaardigheidsbekleders naar Jeruzalem komen om Hem te eren. En ze zullen uit hun land vele rijkdommen meenemen (Jesaja 60:11).

Psalm 72:11 (hsv) – 11 Ja, alle koningen zullen zich voor Hem neerbuigen, alle heidenvolken zullen Hem dienen.

Jesaja 42:4 – 4 De kustlanden zien naar Zijn onderricht uit.

Maar vergis je niet: het duizendjarig rijk zal beslist geen hippie-tijdperk zijn. Koning Jeshua zal alle volken met een ijzeren herdersstaf hoeden (Openbaring 12:5; 19:5). Als een volk ongehoorzaam is, zal Jeshua het terechtwijzen en het straffen, want ongebroken en vol vuur zal Hij het recht op aarde vestigen (Jesaja 42:4) en handhaven.

Gods Koninkrijk zal het gebied omvatten dat God vierduizend jaar geleden aan Abram beloofde (Genesis 15:18; Ezechiël 47:15-20). Maar tot ver over Israëls grenzen, ja, tot in alle uithoeken op aarde, zal het Koninkrijk zichtbaar en voelbaar zijn, in alle facetten van het leven en in alle geledingen van de maatschappij (Daniël 7:14; Zacharia 14:9).

Gaandeweg zullen de verschillende samenlevingen een nieuwe structuur krijgen, naar het concept van Gods Koninkrijk, waar Zijn recht en gerechtigheid zullen heersen en waar Jeshua zichtbaar is in de mensen. Het Witte Huis, het Kremlin, de Bondsdag, het Vaticaan of het Élysée-paleis spelen in het duizendjarig rijk geen zelfstandige rol van betekenis meer. Het centrum van de macht zetelt in Jeruzalem.

Vanuit Sion zal zowel de wetgevende, de uitvoerende als de rechtelijke macht komen, waar alle volken zich aan zullen onderwerpen. En vanaf de Sion zal Gods onderricht klinken en vanuit het schitterende Jeruzalem zullen Zijn wetten worden uitgevaardigd (Jesaja 2:3, 54:11; Micha 4:2; Mattheüs 5:17-20). Jeruzalem zal in werkelijk alle opzichten hét centrum van de wereld zijn.

En niet alleen staatshoofden en regeringsleiders, maar iedereen die daartoe in staat is, tot welk land of volk hij of zij ook behoort, zal jaarlijks opgaan naar Jeruzalem, om:

Zacharia 14:16 – 16 … de HEER van de hemelse machten als Koning te vereren en het Loofhuttenfeest te vieren. (Zie Jesaja 66:23).

Ik stel me zo voor dat er in Jeruzalem in die tijd ook allerlei beurzen en workshops zullen worden georganiseerd, waar voorlichting wordt gegeven aan de heidenvolken over de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van onderwijs, verzorging, land- en tuinbouw, veeteelt, visserij en andere sectoren van de maatschappij, zodat alles steeds meer in overeenstemming wordt gebracht met Gods leefregels.

In de oogverblindende Tempel zal de luisterrijke verschijning van de HEER tronen (Ezechiël 43:7). Dag en nacht zal Gods majesteit schitteren boven het hoog verheven Jeruzalem (Jesaja 60:19). En in de Tempel zelf zal een bron ontspringen, die tot een grote rivier zal worden (Ezechiël 47:1-12) en die Jeruzalem en het land zal veranderen in een waterrijk en vruchtbaar gebied. Ja, overal waar de rivier stroomt, komt leven en zal er vis in overvloed zijn. De rivier zal de gortdroge vlaktes tot een waterplas maken en zelfs het droogste woestijngebied laten bloeien (Jesaja 35:1-7; Ezechiël 36:30; Joël 4:18).

Jeruzalem zal een weldadige, paradijselijke stad worden. In de vele beken, rivieren en waterpartijen, die de stad rijk zal zijn, zullen ontelbare exotische vissen en watervogels zwemmen. En langs de rivieren zullen volop groenblijvende, vruchtdragende bomen en planten groeien. In de bossen en op de weilanden zullen verschillende soorten dieren met elkaar spelen, ook die uit dezelfde voedselketen, want niet langer zal het ene dier het andere dier verslinden. Vleeseters zullen planteneters worden.

En omdat God de regen op gezette tijden doet neerdalen (Ezechiël 34:26-27), zullen de akkers, de wijn- en olijfgaarden, zonder uitzondering, een rijke opbrengst geven, zullen de dorsvloeren weer vol liggen met graan en zullen de perskuipen weer overlopen van wijn en olie (Joël 2:24). Het vee zal volop te eten en te drinken hebben en vruchtbaar zijn en wol en melk in overvloed geven. Zonder winterstop zal er gezaaid en geoogst worden, zodat:

Amos 9:13 – 13 … de ploeger de maaier ontmoet en de druiventreder de zaaier.

Tenslotte zal de rivier uitmonden in de Dode Zee, waardoor het zoute water van de Dode Zee zoet zal worden en er net zo veel soorten vis in zullen zwemmen als in de Middellandse Zee.

Ezechiël 47:12 – 12 Aan de oevers van de rivier zullen allerlei vruchtbomen opkomen, waarvan de bladeren niet zullen verwelken en de vruchten niet zullen opraken.

En niet één keer per jaar, maar elke maand zullen deze bomen vrucht dragen. Het zullen smakelijke vruchten zijn om te eten. Bovendien zijn de bladeren van deze bomen geneeskrachtig (Ezechiël 47:8-12; Zacharia 14:8; Openbaring 22:1-2).

Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat mensen uit alle landen en steden van de wereld op weg zullen gaan naar Jeruzalem om God, die dit alles gemaakt heeft, eer te bewijzen, om Zijn gunst af te smeken en om met eigen ogen het wonderschone Jeruzalem te zien, dat gelijk zal zijn aan de Tuin van Eden (Ezechiël 36:30-36; Zacharia 8:20-23).

Iedereen die Jeruzalem bezoekt zal huiveren van ontzag als ze zien hoeveel geluk en voorspoed God Jeruzalem heeft geschonken (Jeremia 33:9) en hoe rijk Hij Zijn volk heeft gezegend (Jesaja 61:9). Ja, met gebogen hoofd zullen ze komen, al die vijanden van voorheen (Jesaja 60:14). Dán zal werkelijkheid worden wat God bij monde van de profeet Sefanja beloofde:

Sefanja 3:19-20 – 19 En hen die in de hele wereld werden veracht zal Ik met eer en roem overladen. 20 … Voorzeker, je zult met eer en roem overladen worden door alle volken op aarde.

Ja, als een Joodse man de grenzen van het Koninkrijk overgaat en een ander land bezoekt, dan zal hij daar met open armen worden ontvangen. De haat en minachting die hem vroeger ten deel viel, zal voorgoed verleden tijd zijn, want iedereen zal weten dat hij tot het gezegende volk behoort, in wiens midden de Almachtige woont, wiens Zoon op de troon zit en vanwaar, voor iedereen, het geluk, de voorspoed en de zegen komt. Zacharia voorzag dat, toen hij profeteerde:

Zacharia 8:23 – 23 … Als die tijd is gekomen, zullen tien mannen uit volken met verschillende talen een Joodse man bij de slip van zijn mantel grijpen met de woorden: “Wij willen ons bij u aansluiten, want we hebben gehoord dat God bij u is.”

Laat Uw Koninkrijk komen!

Als wachters op de muren van Jeruzalem herinneren we onze hemelse Vader dag en nacht en onophoudelijk aan Zijn beloften van herstel (Jesaja 62:6-7). Deze beloften passen immers in Gods majestueuze herstelplan voor Zijn land en volk, maar beogen uiteindelijk de redding van de gehele mensheid. Israël werd immers uitverkoren en geroepen om het heil te brengen naar de heidenvolken. Het Joodse volk werd Gods dienstknecht, uit wie de Redder voor alle volken zou voortkomen (Jesaja 49:6).

En Jeshua verzekerde ons dat, wanneer de Mensenzoon in Zijn majesteit zal zetelen op Zijn troon, de tijd aanbreekt dat alles vernieuwd wordt (Mattheüs 19:28), dat alles zal worden hersteld (Handelingen 3:21).

Daarom moeten we de Vader niet alleen herinneren aan Zijn beloften, maar Hem ook aanmoedigen om Zijn herstelplan te volvoeren. Dat kunnen we en mogen wij doen, nederig maar vrijmoedigheid, omdat alleen door Zijn resolute ingrijpen er schoonschip kan worden gemaakt met onze zwaar vervuilde wereld. Ik breng jullie nog even in herinnering de woorden uit Jesaja:

Jesaja 63:5 – 5 Ik was geschokt dat niemand Mij aanmoedigde.

God wil dat wij Hem aanmoedigen. Laten we dát dan óók doen, zoals Habakuk dat deed toen Hij bad:

Habakuk 3:2 – 2 Breng het in deze tijd tot stand, maak het in deze tijd bekend, maar toon Uw mededogen als het tumult losbarst.

Als we onze hemelse Vader herinneren aan Zijn beloften van herstel, laten we Hem dan tegelijk aanmoedigen Zijn beloften te vervullen in onze dagen! Dát is het uitzien dat Petrus bedoelde, waarmee we de wederkomst van Jeshua bespoedigen (2 Petrus 3:12)! En dát is ook precies wat Jeshua bedoelde, toen Hij ons leerde bidden:

Mattheüs 6:11 – 11 Laat Uw Koninkrijk komen!

Eén reactie op “Laat Uw Koninkrijk komen!

  1. 1

    Wat mooi beschreven en wat een hoopvolle toekomst staat ons te wachten en dan voor een ieder die gelooft in de Verlosser Yeshua
    Schrijf nog meer AUB !! Heb alles gelezen

    Beantwoord reactie | Je beantwoordt nu deze reactie

Reageer

Je email adres is nooit zichtbaar. Required fields are marked *

*

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>