Eén enkele dag_afbeelding

één enkele dag

Gepubliceerd Thursday, 31 March, 2016 in Weblogs Gastschrijvers 1 Comment

Weblog van Bas van Twist, maart 2016

In Zacharia 3:1-10 lezen we over een wonderlijk visioen dat Zacharia krijgt over de toekomst van zijn volk. Het visioen heeft iets weg van een tweeluik en is het vierde visioen van de acht visioenen die God de profeet laat zien, ongeveer een jaar na de dringende oproep van de Perzische koning Cyrus aan alle Israëlieten in zijn rijk om terug te keren naar Jeruzalem en de Tempel te herbouwen (Ezra 1:2-3). Een oproep waaraan duizenden Joodse ballingen gehoor geven.

Zacharia is aanwezig bij een hemelse raadsvergadering. Daarover lezen we vaker in de Bijbel (Job 1:6-12, 2:1-6; Psalm 82, 89:8; 1 Koningen 22:19-22). Zo’n hemelse vergadering heeft vaak iets weg van een rechtszitting. Dat is ook in dit visioen het geval, waarin de Engel van de HEER de hemelse raadsvergadering voorzit.

In het eerste deel van het visioen ziet Zacharia hoe Jozua, de hogepriester uit die tijd, als beklaagde voor de Engel van de HEER is geleid. Satan, de genadeloze aanklager, schept er zichtbaar genoegen in om de misdaden van de beklaagde breed uit te meten, omdat hij weet dat hierop normaliter een zware straf zal volgen.

Maar het loopt anders. Compleet anders. Nog vóór Satan zijn requisitoir heeft beëindigd, valt de Engel van de HEER hem in de rede: De HEER zal je het zwijgen opleggen. De HEER, die Jeruzalem heeft uitverkozen, zal jou het zwijgen opleggen. Is deze Jozua niet een stuk zwartgeblakerd hout dat uit het vuur is weggerukt?” (Zacharia 3:2).

Daar heeft Satan niet van terug. Want Jozua was inderdaad door God uit het vuur weggerukt, uit de vuuroven van de Babylonische ballingschap, en teruggekeerd naar Jeruzalem (Judas 1:22-23). Zacharia voelt de spanning in de vergadering oplopen.

Dan geeft de Engel van de HEER opdracht om Jozua zijn vuile kleren uit te trekken en hem in een nieuw, feestelijk gewaad te kleden. Jozua was namelijk ter zitting verschenen met onreine kleren. Hij was met schuld bekleed. De schandvlek op het priesterschap uit de periode voordat aan de herbouw van de Tempel werd begonnen, zat nog overal op zijn kleren.

En terwijl de hogepriester een nieuw en uiterst kostbaar gewaad wordt aangetrokken, hoort Zacharia de Engel van de HEER tegen Jozua zeggen: Hierbij reinig Ik je van alle schuld” (Zacharia 3:4). Zacharia kan zijn vreugde niet op als hij dat hoort en in zijn enthousiasme roept hij dat ze Jozua eigenlijk ook een nieuwe tulband om moeten doen. Ze doen het.

Maar ook Jozua kan zijn geluk niet op, want hoewel hij met schuld beladen was, heeft de Engel van de HEER hem van alle aanklachten vrijgesproken. Hij heeft hem zelfs een schitterend gewaad aangetrokken, zodat er niets meer is dat nog herinnert aan zijn zondige verleden.

Terwijl Satan woedend de hemelse rechtszaal verlaat, roept de Engel van de HEER Jozua op vanaf nu nog slechts in Gods wegen te wandelen.

De Engel van de HEER is in dit visioen duidelijk een prototype van de Messias – we zien dat vaker in de Bijbel (Genesis 22:11-18; Exodus 23:20-23) – terwijl Jozua een representant is van het volk Israël, Gods koninkrijk van priesters, Zijn heilig volk (Exodus 19:6).

Maar het visioen is nog niet ten einde en Zacharia kijkt vol verwachting toe hoe het verdergaat. Hij hoort hoe de HEER Jozua belooft Zijn Dienaar te sturen, de Telg aan de stam van David. Dat is de titel voor de door God beloofde Messias, weet Zacharia. Hij zal onwillekeurig gedacht hebben aan de woorden uit Jeremia 23:5-6: De dag zal komen – spreekt de HEER – dat Ik aan Davids stam een rechtmatige Telg laat ontspruiten, die als Koning een wijs beleid zal voeren en die in het land recht en gerechtigheid zal handhaven. Dan wordt Juda verlost en zal Israël in vrede leven” (Jeremia 33:15-18; Jesaja 11:1; Ezechiël 37:22-27).

De woorden van God die dan volgen, ontroeren Zacharia zowaar nog meer: “En in één enkele dag zal Ik dit land reinigen van alle schuld. Het is een heilsbelofte die God Zijn volk eerder ook al heeft gegeven bij monde van de profeten Jesaja (Jesaja 44:22) en Jeremia (Jeremia 33:8, 31:34, 50:20), maar nu hoort Zacharia het zelf de HEER zeggen!

Dan zegt de HEER tegen Jozua dat Hij een Steen voor hem zal neerleggen, één enkele Steen, waarop zeven ogen rusten en waarin God Zelf iets zal graveren.

Uit het vijfde visioen dat Zacharia krijgt, kunnen we opmaken dat met de zeven ogen, “de ogen van de HEER” worden bedoeld, “die over de hele aarde rondgaan” (Zacharia 4) – waarmee God wil duidelijk maken dat Hij niemand van Zijn volk en van degenen die Hem liefhebben uit het oog verliest (2 Kronieken 16:9).

Maar wat graveert de HEER precies in de Steen? Uit de context mogen we opmaken, dat de woorden die in de Steen worden gegraveerd, de belofte inhouden dat God in één enkele dag het land zal reinigen van alle schuld. Dat die belofte in steen wordt gegraveerd, betekent dat het niet uitwisbaar is, zoals ook Gods wetten en geboden zijn gegraveerd en niet uitwisbaar zijn (Exodus 31:18; 2 Korintiërs 3:7).

Zacharia zal begrepen hebben dat de Steen zelf een metafoor is voor de Messiaanse vorst uit het geslacht van David, die God Zijn volk beloofd heeft te zullen zenden.

Wij weten dat God Zijn Messias heeft gezonden en dat Hij, Jeshua, zal wederkomen. Hij is die Steen, die door God als Hoeksteen is bestemd, maar bij Zijn eerste komst door de bouwers werd afgekeurd (Psalm 118:22-23; Mattheüs 21:42-43; Handelingen 4:11; Romeinen 9:32-33; 1 Petrus 2:4-8). Hij is die Steen, die bij Zijn tweede komst van de berg zal afrollen en alle koninkrijken zal vernietigen, maar zelf zal worden tot een hoge berg die de aarde zal bedekken (Daniël 2:1-34).

Als voor Israël die ene Grote Verzoendag is aangebroken, die God aan Jozua heeft beloofd, dan zullen de Israëlieten elkaar “uitnodigen onder de wijnrank en onder de vijgenboom” (Zacharia 3:10). Het is een beeld dat God Zelf gebruikt als Zijn land en volk tot Zijn bestemming is gekomen (Micha 4:4; 1 Koningen 5:5).

Tot die tijd aanbreekt, mogen wij onze hemelse Vader dag en nacht herinneren aan de hoopvolle toekomst die Hij Zijn volk heeft beloofd (Jeremia 29:11) – waarmee we de glorieuze wederkomst van Jeshua bespoedigen (2 Petrus 3:12). Tot dat moment, zal gaandeweg duidelijker worden wat het betekent dat Zijn beloning (NBV) – of vergelding (NBG) – voor Hem uit gaat (Jesaja 40:10, 62:10-11). Israël zal in toenemende mate Gods zegen ervaren, maar Israëls vijanden Zijn verbolgenheid (Joël 4:4-7; Obadja 1:15; Jeremia 30:16).

Ja, Mijn Dienaar zal slagen, Hij zal groots zijn, hoog verheven in aanzien. Zoals Hij velen deed huiveren – zo gruwelijk, zo onmenselijk was Zijn aanblik, Zijn uiterlijk had niets meer van een mens –, zo zal Hij veel volken opschrikken, en koningen zullen sprakeloos staan (Jesaja 52:13-15).

Eén reactie op “één enkele dag

  1. 1
    Ruud Meeuws zei: op 6 April 2016 om 00:21

    Het blijft altijd een groot wonder hoe genadig God is. Wij hebben niets verdient. Ook Israël kan alleen op deze genade vertrouwen. God laat zijn oogappel niet vallen, maar zal heel zijn Majesteit aan hen onthullen en Hij zal hun een nieuw lied in de mond leggen.
    De vrede, die Zijn Zoon verworven heeft, zal heel hun moede hart vervullen. Wat een feestdag zal dat zijn.

    Beantwoord reactie | Je beantwoordt nu deze reactie

Reageer

Je email adres is nooit zichtbaar. Required fields are marked *

*

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>