12-jarige Jeshua in de Tempel.1

En het Kind groeide op

Gepubliceerd Wednesday, 9 November, 2016 in Weblogs Gastschrijvers 1 Comment

Weblog van Bas van Twist, november 2016

Lucas 2:52 – Jeshua groeide verder op en Zijn wijsheid nam nog toe. Hij kwam steeds meer in de gunst bij God en de mensen.

Over de kinderjaren van Jeshua weten we weinig. Van de evangelisten schrijft alleen Lucas daar iets over. Misschien komt dat wel door zijn beroep als arts, waarbij hij ook te maken had met het wel en wee van opgroeiende kinderen. Lucas vertelt dat, wanneer Jeshua opgroeit, Hij in wijsheid toeneemt en steeds meer in de gunst komt bij God en de mensen. In het leven van Jeshua vindt dus een groeiproces plaats: gaandeweg ontdekt Hij wie Zijn hemelse Vader is, en dat komt tot uiting in Zijn omgang met de mensen.

Tijdens de vele gesprekken thuis met Zijn ouders of in de timmermanswerkplaats met Zijn vader, zal Jeshua van lieverlee verteld zijn over de wonderlijke gebeurtenissen die aan Zijn geboorte voorafgingen, over de woorden die de engel Gabriël tot Zijn moeder sprak, over wat de herders vertelden kort nadat Hij geboren was en over wat de oude Simeon over Hem profeteerde toen Hij zes weken oud was: dat Hij Zoon van de Allerhoogste zal worden genoemd en tot in eeuwigheid als koning zal heersen over het volk van Jakob, dat Hij niet alleen Israëls langverwachte Messias is, maar ook de redder van de wereld (Lucas 1:32-33, 2:8-20, 2:25-32).

Ik vraag me weleens af wanneer Jeshua, die geen enkele zonde beging en over wiens lippen geen leugen kwam (1 Petrus 2:22; Jesaja 53:9), begon te beseffen dat Hij verschilde van de andere mensen? Dat Hij de Zoon van de Allerhoogste was? Wat ging er door Hem heen toen Hij zich de hemelse troonzaal herinnerde? Of toen Hij de engelen rondom Hem kon zien en de harten van de mensen kon doorgronden? Toen Hij begreep dat er in de wet, de psalmen en de profeten voortdurend over Hem en Zijn komst naar de wereld werd gesproken? Of toen Hij in Psalm 22 of Jesaja 53 las over de lijdensweg die Hij nog moest gaan? Toen Hij de macht bleek te hebben om mensen te genezen, om boze geesten uit te drijven en zelfs doden op te wekken? Of toen Hij wist dat Hij de natuurkrachten kon bedwingen?

Dat Jeshua op Zijn twaalfde wist dat Hij anders was dan andere kinderen, leidt geen twijfel. Want geen enkel ander kind van twaalf is in staat om drie dagen aaneen de rabbijnen te boeien met vragen en antwoorden. Lucas merkt dan ook op dat allen die Hem hoorden versteld stonden van Zijn inzicht en Zijn antwoorden. 

Maar op hetzelfde moment stonden Zijn ouders doodsangsten uit toen ze op de terugweg naar huis, ‘s avonds bemerkten dat Jeshua niet bij familie of vrienden bleek te zijn. Heel de weg liepen ze terug naar Jeruzalem en zochten ze Jeshua, maar tevergeefs. Pas na drie dagen zoeken vonden ze Hem in de Tempel, zittend te midden van de rabbijnen. En zoals elke andere bezorgde moeder zou hebben gedaan, riep Mirjam uit: “Kind, wat heb je ons aangedaan? Je vader en ik hebben met angst in het hart naar Je gezocht.”

De meeste kinderen van twaalf zouden de grote zorg van hun ouders zeker begrepen hebben, maar Jeshua lijkt daar iets minder begrip voor te hebben, want heel beheerst antwoordt Hij: “Waarom hebben jullie naar Mij gezocht? Weten jullie dan niet dat Ik bezig moet zijn met de dingen van Mijn Vader?” Lucas beantwoordt deze laatste vraag van Jeshua met de mededeling dat zijn ouders Hem niet begrepen.

Ik kan me zo voorstellen dat ze Jeshua, toen ze weer buiten stonden, streng hebben toegesproken en Hem erop hebben gewezen dat Hij nooit meer zolang mocht wegblijven zonder dat zij ervan afwisten. Jeshua zal hun beloofd hebben dat ook nooit meer te doen, want, zo schrijft Lucas, Hij reisde met hen terug naar Nazareth en was hun voortaan gehoorzaam.

De menswording en het mens-zijn van Jeshua is gehuld in vele mysteries waarover je niet uitgedacht raakt en waarover je je alleen maar kan blijven verbazen.

Maar laten we nooit vergeten dat Jeshua niet alleen mens, maar ook op en top Joods was. Hij was een echte zoon van Israël: geboren uit een Joodse moeder en op de achtste dag besneden (Leviticus 12:3; Lucas 2:21). We lezen verder dat Hij, overeenkomstig de wet van Mozes, na veertig dagen door Zijn ouders in de Tempel aan de HEER werd opgedragen (Leviticus 12:2-8; Lucas 2:22-24). En net als Zijn ouders onderhield Hij Gods leefregels nauwgezet (Mattheüs 5:17; Lucas 2:41). En Hij gebood dat anderen ook te doen (Mattheüs 8:4).

Toen Jeshua Zijn discipelen opdroeg Gods Koninkrijk te gaan verkondigen, instrueerde Hij hen niet de weg in te slaan naar de heidenen, maar op zoek te gaan naar de verloren schapen van het volk van Israël (Mattheüs 10:5-7), naar Zijn eigen volksgenoten, want alleen naar hen was Hij gezonden (Mattheüs 15:24). Hij voelde Zich één van hen en was met ontferming over hen bewogen (Mattheüs 9:36, 14:14, 20:34).

Ook met Jeruzalem en haar bevolking was Jeshua intens begaan. Toen Hij, kort na Zijn intocht, over de stad heen keek en dacht aan het lot dat haar vier decennia later zou treffen, huilde Hij om de stad (Lucas 19:41; Mattheüs 24:15-21).

Maar Jeshua huilde ook toen Hij, na Zijn hemelvaart, zittend aan de rechterhand van de Vader, zag wat Zijn volk werd aangedaan door de volken waar ze vanaf het jaar 70 terecht gekomen waren. Jeshua besefte maar al te goed dat, als Hij nog op aarde had rondgewandeld, de volken voor Hem geen uitzondering hadden gemaakt. Ook Hij zou, vanwege Zijn Jood-zijn, zijn verdreven, geknecht, vernederd, mishandeld, doorstoken, verbrand of vergast. En daarom riep ook Jeshua het uit:

Jeremia 14:17 – Laten Mijn ogen vloeien van tranen, nacht en dag. Ogen, kom niet tot rust, want Mijn volk is deerlijk verwond, niet te helen is zijn letsel.

Als geen ander herkende Hij zich in de schreeuw van die Joodse man, van die Joodse vrouw, van dat Joodse kind: “Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?” (Psalm 22:2).

Maar ook de Vader hoorde die schreeuw van Zijn kinderen. En dat niet alleen, Hij voegde Zich bij hen, onzichtbaar, al die eeuwen dat ze de hel op aarde meemaakten. Door de Engel van Zijn Aanwezigheid redde Hij hen door de dood heen. Ja, door Zijn liefde en door Zijn genade verloste Hij hen, tilde Hij hen op en droeg Hij hen al die eeuwen, zoals Lazarus werd gedragen om aan Abrahams hart te rusten (Jesaja 43:2-3, 63:9; Lucas 16:22).
Ook Israël als volk zal geheel worden verlost! Daarvan getuigen de profeten vele malen (Jeremia 31:34, 33:8, 50:20; Zacharia 3:9).

Maar met allen die Zijn oogappel (Deuteronomium 32:10) hebben verdreven, geknecht, vernederd, mishandeld, verkracht, doorstoken, verbrand of vergast, rekent God resoluut af.

Jesaja 34:2 – De HEER koestert woede tegen alle volken, Zijn toorn ontbrandt tegen heel hun legermacht. Hun wacht de vernietiging, Hij heeft hen voor de slacht bestemd.

Deze dreigende woorden, zoals je die op veel meer plaatsen in de Bijbel vindt (Psalm 108:14; Jesaja 13:11-13; Jeremia 30:16; Micha 4:13; Zacharia 10:5; Maleachi 3:21), kun je alleen maar begrijpen als je gaat inzien hoeveel de Vader van Israël houdt en je je gaat realiseren hoeveel leed en onrecht de heidenvolken het Joodse volk de eeuwen door hebben aangedaan.

De wraak van God over de heidenvolken is ook een beloning voor Zijn eigen volk, omdat aan al dat onrecht en lijden, dat haar de eeuwen door is aangedaan, dan voorgoed een einde komt en haar recht wordt gedaan (Psalm 58:11-12)! Daarom klinkt het vanaf de hoge stadsmuren van Jeruzalem ook luidkeels:

Jesaja 35:4 – ‘Wees sterk en vrees niet, want jullie God komt met Zijn wraak. Gods vergelding zal komen, Hijzelf zal jullie bevrijden.’

Die dreigende woorden zal de Vader ten uitvoer brengen door Zijn Zoon, die als kind van twaalf de rabbijnen versteld liet staan en Zijn ouders doodsangsten bezorgde, die in de bloei van Zijn leven door een onrechtvaardig vonnis werd weggenomen, maar daarmee de zonde van de wereld wegnam. Want Jeshua zal spoedig terugkomen, maar dan als de leeuw uit de stam Juda, als de Koning der koningen en Heer der heren, in hemelse majesteit, omringd door ontelbare engelen.

Woedend voor wat ze de eeuwen door Zijn familie, Zijn vrienden en Zijn volk hebben aangedaan, zal Hij de heidenvolken met een tweesnijdend scherp zwaard slaan en zal Hij de wijnpers van de hevige woede van de almachtige God treden (Jesaja 63:1-6; Joël 4:1-3; Zacharia 12:9; Openbaring 19:15). Zo bescheiden als Zijn eerste komst was in de wereld, zo indrukwekkend en verpletterend zal Zijn tweede komst zijn (Jesaja 52:13-15).

Eén reactie op “En het Kind groeide op

  1. 1
    Aletta zei: op 16 February 2017 om 17:13

    Toch ben ik ook dankbaar dat de volken niet helemaal verdelgd zullen worden. De overgebleven zullen elke jaar naar Jeruzalem gaan om voor de Koning, de Heere van de legermachten, neerbuigen, en om het loofhuttenfeest te vieren. Jess. 66:23, zach14:16 .

    Beantwoord reactie | Je beantwoordt nu deze reactie

Reageer

Je email adres is nooit zichtbaar. Required fields are marked *

*

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>