Israël, het mosterdzaadje onder de volken

Gepubliceerd Thursday, 23 February, 2017 in Weblogs Bas Van Twist

Weblog van Bas van Twist, februari 2017

De grootheid van God wordt vaak zichtbaar in het kleinste. Dat beeld komen we regelmatig tegen in de Bijbel en het druist in tegen onze menselijke logica. En misschien juist daarom gebruikt God vaak iets wat in onze ogen onbeduidend is, om Zijn macht te tonen. We mogen daarom nooit te klein denken van God, alsof voor Hem iets onmogelijk zou zijn. Voor God is niets onmogelijk (Jeremia 32:17).

Zo is God bij machte elk mens dat verloren is te redden, zelfs na de dood (Jesaja 63:1; 1 Petrus 3:18-20). En God kan dat niet alleen, maar Hij wil dat ook. Hij wil “dat alle mensen worden gered (…) dat iedereen tot inkeer komt en niemand verloren gaat” (1 Timotheüs 2:4; 2 Petrus 3:9). En daarvoor heeft God een majestueus reddingsplan bedacht: uit alle volken op aarde zou Hij het kleinste verkiezen om Zijn dienaar te zijn en Zijn luister te tonen (Jesaja 49:3). Uit dat volk zou God de Redder doen voortkomen, niet alleen voor Israël, maar voor elk mens (Jesaja 49:6). Die Redder zou Zijn eigen Zoon zijn. En zo kwam de Mensenzoon naar de wereld “om te zoeken en te redden wat verloren was” (Lucas 19:10; Johannes 3:17).

Maar het reddingsplan van God, dat zal uitlopen op het Koninkrijk der hemelen, begon al problematisch. God riep Abraham en sloot met Hem een eeuwig verbond, waarbij God beloofde hem uitermate vruchtbaar te maken en hem tot zegen te stellen voor alle volken op aarde. Maar Abraham en zijn vrouw waren al op zeer hoge leeftijd gekomen en hadden geen kinderen (Genesis 12:2, 17:17). Naar de mens gesproken zou het heilsplan hier al ophouden, maar niet bij God. Hij schonk, zoals Hij beloofd had, Abraham en Sara een zoon: Izaäk, met wie Hij het verbond voortzette (Genesis 17:19).

Opnieuw dreigde echter de heilsbelofte te stranden, want Rebekka, de vrouw van Izaäk, bleek onvruchtbaar (Genesis 25:21). Pas toen Izaäk vurig voor haar bad, verhoorde God zijn gebed en schonk Hij Rebekka een tweeling. En zoals God Rebekka al had voorzegd, zette Hij met Jacob, de jongste, het verbond voort (Genesis 28:13-16).

Maar een nieuwe tegenslag diende zich aan toen er hongersnood uitbrak in het land Kanaän en Jacob zich gedwongen zag om met zijn familie naar Egypte te vluchten. Door een uitzonderlijke samenloop van omstandigheden, bleek Jacobs dood gewaande lievelingszoon Jozef daar onderkoning te zijn geworden (Genesis 37, 39-41). De familie was gered en zou maar liefst vierhonderd jaar in Egypte blijven wonen.

Naarmate de tijd verstreek nam het Joodse volk in aantal toe. Er kwam echter een koning in Egypte aan de macht, die Jozef niet gekend had en die het Joodse volk vreesde. Hij dwong hen als slaven te werken en probeerde met listige plannen zich van het volk te ontdoen. Het zag er heel somber uit voor Jacobs nageslacht.

Maar toen brak de tijd aan dat God, zoals Hij Abraham voorzegd had, Zijn volk zou terugbrengen naar het land dat Hij hun onder ede beloofd had (Genesis 15:13). Nadat het volk getuige was geweest van de wondertekenen waarmee God de Egyptenaren en de omringende volken Zijn macht had getoond, leidde de HEER Zijn volk uit Egypte, op de dag af precies vierhonderd dertig jaar nadat Hij Zijn eeuwig verbond met Abraham had gesloten (Exodus 12:41; Galaten 3:17).

Satan had opnieuw de slag verloren, maar hij zou niet opgeven Gods reddingsplan te saboteren. Hij zou blijven proberen Gods volk te verdelgen, zodat Israëls naam nooit meer zou worden genoemd (Psalm 83:4-5). Want Israël was immers het volk dat God had “uitgekozen om, anders dan alle andere volken op aarde, Zijn kostbaar bezit te zijn.” En dat was niet omdat Israël talrijker was dan de andere volken – ze was juist “het kleinste van allemaal” –, maar omdat God haar liefhad en zich wilde houden aan wat Hij Abraham, Izaäk en Jacob onder ede beloofd had (Deuteronomium 7:6-8).

Van alle volken op aarde koos God uitgerekend het kleinste om voor Zichzelf een naam te vestigen op aarde (2 Samuel 7:23). Onder dat volk zou Hij indrukwekkende daden verrichten, opdat alle volken op aarde zouden erkennen dat in Zijn hand macht en kracht besloten liggen en niemand zich tegen Hem kan verzetten (2 Kronieken 20:6)

Sinds God is opgestaan om Zich over Sion te ontfermen (Psalm 102:14), laat Hij in Israël wonderbaarlijke daden zien die de vijanden van Israël versteld doen staan (Micha 7:15). Zo stond, tot grote schrik van de Arabieren, het Joodse volk op uit het graf van Auschwitz (Ezechiël 37:12), riep het op 14 mei 1948 de staat Israël uit in het aloude Vaderland en bracht het de machtige vijand, keer op keer, een smadelijke nederlaag toe wanneer hij haar wederopstanding wilde tenietdoen.

Dat alles kon gebeuren omdat God sinds 1948 een keer heeft gebracht in het lot van Zijn volk (Sefanja 3:20). Vanaf toen heeft God hen onoverwinnelijk gemaakt (Zacharia 10:6; Jesaja 52:10).

De staat Israël is daarmee een voorafbeelding van wat komt als Gods Koninkrijk straks gegrondvest wordt. Want als de Mensenzoon in hemelse heerlijkheid verschijnt, zal Israël niet langer door andere volken worden vernederd (Ezechiël 34:29), maar zal de kleinste onder de volken de machtigste blijken (Jesaja 60:22).

Daarvan getuigde ook Jeshua toen Hij het Koninkrijk der hemelen vergeleek met het zaadje van de mosterdplant: het is het kleinste van alle zaden, maar het groeit uit tot de grootste onder de planten, zodat de vogels erin kunnen nestelen (Mattheüs 13:31-32). Het mosterdzaadje, het kleinste van alle zaden, is hier een metafoor voor Israël, het kleinste van alle volken. Zoals het mosterdzaadje, wanneer het tot zijn bestemming komt, uitgroeit tot een grote struik, zodat de vogels erin kunnen nestelen, zo groeit Israël, als het tot Zijn bestemming komt, uit tot het Koninkrijk der hemelen, waarin wij ons, met het Joodse volk, mogen ‘nestelen’ (Jesaja 60:21; Efeziërs 2:19-20; 1 Korintiërs 15:43).

Reageer

Je email adres is nooit zichtbaar. Required fields are marked *

*

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>