Ik zal niemand achterlaten

Gepubliceerd Wednesday, 15 March, 2017 in Weblogs Bas Van Twist 2 Comments

Weblog van Bas van Twist, maart 2017

Jesaja 49:5-6 (NBV/HSV) – Toen sprak de HEER, die Mij al in de moederschoot gevormd heeft tot Zijn dienaar om Jacob naar Hem terug te brengen om Israël rond Hem te verzamelen – maar Israël zal zich niet laten verzamelen. Niettemin zal Ik verheerlijkt worden in de ogen van de HEER, en Mijn God zal Mijn kracht zijn. Hij zei: ‘Dat Je Mijn dienaar bent om de stammen van Jacob op te richten en de overlevenden van Israël terug te brengen, dat is nog maar het begin. Ik zal Je maken tot een licht voor alle volken, opdat de redding die Ik brengen zal tot aan de einden der aarde reikt.’

In dit Schriftgedeelte lezen we kernachtig waarvoor God Jeshua naar de aarde heeft gestuurd: (1) om het volk van Jacob naar Hem terug te brengen, (2) om de verdrevenen van Israël terug te brengen naar hun eigen land, en (3) om voor alle heidenvolken tot een licht te zijn. In Gods heilsplan gaat het dus in eerste instantie om de redding van Israël, maar uiteindelijk blijkt het de Vader om de redding van de hele wereld te gaan (Jesaja 42:6)!

Jammer genoeg is in de meeste vertalingen, ook in de NBV, de bijzin “maar Israël zal zich niet laten verzamelen” bij het vertalen weggevallen. Daardoor ontbreekt een cruciaal onderdeel van Gods heilsplan. Want eeuwen later zou Jeshua deze voorzegging bevestigen, toen Hij diepbedroefd over Jeruzalem keek en huilend tot haar sprak: “Hoe dikwijls heb Ik je kinderen niet willen verzamelen zoals een hen haar kuikens verzamelt onder haar vleugels! Maar je hebt niet gewild.” (Mattheüs 23:37, GNB).

Paulus noemt de onwil van een deel van Israël om zich door de Messias tot God te laten terugbrengen, een geheimenis. In zijn brief aan de Romeinen wijst Hij erop “dat er voor een deel verharding over Israël is gekomen, totdat de volheid van de heidenen is binnengegaan” (Romeinen 11:25). Er komt dus een eind aan deze verharding!

God heeft Jeshua als Zijn Dienaar aangewezen om Israël – Zijn andere Dienaar – tot Hem terug te brengen. Maar door “hun versteende hart” (Ezechiël 11:19) heeft slechts een deel van Zijn tijdgenoten oog voor Hem gehad (Jesaja 53:3 en 53:8). En hoewel Israël Jeshua dus niet herkende bij Zijn eerste komst – zich (nog) niet door Hem wilde laten verzamelen –, heeft God Zijn Dienaar (Jeshua) toch grootgemaakt, door Hem óók tot Redder te stellen van de heidenvolken! God vond het namelijk “te gering” (SV) om slechts Israël te redden: Hij wilde de redding van alle mensen (1 Timotheüs 2:4; 2 Petrus 3:9).

We weten dat God, op Zijn tijd, Israëls verharding zal wegnemen en dat dan het hele volk van Jacob Messias Jeshua zal kennen (Jeremia 31:34; Hosea 6:3; Zacharia 12:10). Volgens Paulus breekt die tijd aan als “de volheid van de heidenen is binnengegaan” (Romeinen 11:25-26). Van Jeshua weten we dat “de tijd van de heidenen voorbij is” (Lucas 21:24), wanneer het volk Israël uit de ballingschap terugkeert en Jeruzalem wordt herbouwd. Je kunt daarom gerust concluderen dat de tijd van de heidenen er goeddeels op zit en eindelijk, na negentien eeuwen ellende, voor Israël “de tijd van genade is gekomen” (Psalm 102:14).

De belangrijkste opdracht die Jeshua krijgt, zo lazen we, is dus het terugbrengen van het volk naar de Vader en het terugbrengen van Israëls verdrevenen naar hun land. En als dat gebeurt, zal vervuld worden wat de engel Gabriël beloofde: dan zal Jeshua “de troon van Zijn vader David” krijgen en zal Hij “tot in eeuwigheid koning zijn over het volk van Jacob” (Lucas 1:31-33, 1:54-55 en 2:30-32).

Jeshua getuigt regelmatig van de opdracht die Hij van de Vader heeft gekregen. Tijdens een ontmoeting met een Kanaänitische vrouw, laat Hij haar bijvoorbeeld ondubbelzinnig weten dat Hij “alleen maar gezonden (is) naar de verloren schapen van het huis van Israël” (Mattheüs 15:24).

Daarnaast ontvouwt Jeshua Zijn opdracht door middel van gelijkenissen, omdat God Zijn volksgenoten “geen hart gegeven (heeft) om te verstaan of ogen om te zien, of oren om te horen” (Deuteronomium 29:4; Jesaja 6:9-10, 29:10 en 43:8). Juist om die reden spreekt Hij tot hen in gelijkenissen (Mattheüs 13:13).

In verschillende gelijkenissen getuigt Jeshua ervan dat Hij gekomen is “om te zoeken en te redden wat verloren was” (Lucas 19:10), meer specifiek om “de verloren schapen van het huis van Israël” (Mattheüs 15:24) te zoeken en te redden. De Vader wil namelijk niet dat één van Zijn schapen verloren gaat. We komen dit onder meer tegen in de overbekende gelijkenis van de ‘verloren zoon’ (Lucas 15:11-32). We kennen het verhaal.

Een vader heeft twee zonen. Op een gegeven moment eist de jongste zijn deel op, vertrekt naar het buitenland en verkwist zijn vermogen in een losbandig leven. Als er een zware hongersnood uitbreekt in het land en hij zo’n honger krijgt dat hij ernaar verlangt zijn buik te vullen met de schillen die voor de varkens bedoeld zijn, komt hij tot inkeer. Hij realiseert zich dat hij gezondigd heeft tegen de hemel en tegen zijn vader. Hij neemt zich voor naar zijn vader terug te gaan en vergeving te vragen. Als hij nog ver van huis is, ziet zijn vader – die elke dag op de uitkijk staat om te zien of zijn zoon terugkomt – hem aankomen. Hij holt hem tegemoet en valt hem om de hals. Maar zijn zoon slaat zijn ogen neer en zegt: “Ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden.” Zijn vader wil daar echter niets van weten. Hij trekt hem nieuwe kleren aan en richt een feestmaal voor hem aan. De vader kan zijn blijdschap niet op, want zijn verloren zoon is teruggevonden.

Kort daarop komt de oudste zoon terug van het land. Als hij hoort wat er aan de hand is, wordt hij woedend. Zijn vader hoort hem tieren en loopt naar buiten om hem te kalmeren. Hij legt hem uit dat ook hij juist blij moet zijn, omdat zijn broer weer levend en wel terug is gekomen. Toch sputtert de oudste tegen. Voor hem heeft zijn vader nog nooit zo’n feestmaal laten aanrichten. “Maar kind”, zegt dan zijn vader, “jij bent altijd bij mij en al het mijne is het jouwe. Wees daarom blij, want je broer was dood en is weer levend geworden, hij was verloren en is gevonden.”

Het is een ontroerend verhaal. Vooral als je beseft om wie het ten diepste gaat in deze gelijkenis. Nee, niet over de individuele zondaar die zich bekeert, al is de gelijkenis daarop ook zeker van toepassing. Ook is de jongste zoon niet het beeld van de gelovigen uit de heidenen die erbij mogen horen, hoewel de gelijkenis ook daarop toegepast kan worden. Nee, deze gelijkenis gaat ten diepste om “de verloren schapen van het huis van Israël” (Mattheüs 15:24).

Je kent ongetwijfeld Israëls geschiedenis, zoals opgetekend in de boeken Koningen en Kronieken. Na de dood van koning Salomo volgt zijn zoon Rechabeam hem op. Dan volgt er een staatsgreep. Jerobeam, uit de stam Efraïm, krijgt tien van de twaalf stammen zo ver dat ze zich afsplitsen van Juda, waardoor het Koninkrijk Israël in tweeën scheurt. Alleen Benjamin blijft Juda trouw. Zij vormen samen het zuidelijke rijk Juda, het Tweestammenrijk, met Jeruzalem als hoofdstad. De andere stammen vormen het noordelijke rijk Israël, met Samaria als hoofdstad (1 Koningen 12).

Op een gegeven moment wordt Israël de HEER zo ontrouw, dat Hij hen door de Assyriërs in ballingschap laat wegvoeren (2 Koningen 17:7-18). Het is in deze tijd dat de tien stammen regelmatig worden aangeduid met ‘Efraïm’, vernoemd naar de meest dominante stam van het noordelijke rijk Israël.

Ruim een eeuw na de ballingschap van het noordelijke rijk Israël, wordt Juda, vanwege zijn ontrouw aan God, in ballingschap weggevoerd naar Babel (2 Koningen 17:19-20). Na zeventig jaar roept Cyrus (Kores) alle Israëlieten in zijn rijk op naar Jeruzalem terug te keren om de Tempel te herbouwen (Ezra 1:1-3). Het rijk van Cyrus omvat trouwens ook het gebied van de Assyriërs, waar de Israëlieten uit de tien stammen destijds naar waren weggevoerd. De oproep van Cyrus gaat dus alle nakomelingen van Jacob aan. Toch blijft de overgrote meerderheid van de ballingen achter in de diaspora. Een groep van zo’n vijftigduizend Israëlieten (Ezra 2:64-67), in meerderheid afkomstig uit Juda, geven gehoor aan de oproep en keren terug. Van de ballingen afkomstig uit de tien stammen, het noordelijke rijk Israël (Efraïm), keren uiteindelijk slechts enkele honderden families terug.

Toch zal God ervoor zorgen dat “de kinderen van Juda en de kinderen van Israël” weer allemaal bijeen worden gebracht en dat “één Koning over hen allen (zal) regeren” (Hosea 2:2; Ezechiël 37:22). Aan de verstrooiing van Israël komt zonder enige twijfel een einde. Dat heeft God tientallen malen beloofd bij monde van de profeten, soms door gelijkenissen (Hosea 12:11).

Eens krijgt Ezechiël de opdracht van God om twee stukken hout te nemen. Op het ene stuk hout moet hij duidelijk leesbaar de naam ‘Juda’ schrijven en op het andere stuk de naam ‘Efraïm’, dat is Israël. Vervolgens moet hij beide stukken hout in zijn hand houden zodat ze één stuk hout vormen. Als het volk dan aan hem vraagt wat hij daarmee bedoelt, dan moet hij zeggen dat, zoals de twee stukken hout in zijn hand tot één stuk hout worden, Juda en Efraïm in Gods hand tot één volk worden.

Ezechiël 37:21-22 – Dit zegt God, de HEER: Ik haal de Israëlieten weg bij de volken waar ze terechtgekomen zijn, Ik zal ze overal vandaan bijeenbrengen en ze naar hun land laten terugkeren. Ik zal één volk van hen maken in het land en op de bergen van Israël, en één koning zal over hen allen regeren. Niet langer zullen ze uit twee volken bestaan en verdeeld zijn in twee koninkrijken.

Nu even terug naar de gelijkenis van de ‘verloren zoon’. Wordt dit familiedrama niet nog veel mooier, nu je begrijpt dat de verloren zoon een metafoor is voor “de verloren schapen van het huis van Israël” (Mattheus 15:24), voor de Israëlieten die in de diaspora wonen, in de “woestijn der volken” (Ezechiël 20:35), en daar ronddolen “als een kudde schapen die geen herder heeft” (1 Koningen 22:17)? Want dan snap je ook dat deze zoekgeraakte Israëlieten weer gevonden zullen worden en, net als de verloren zoon, zullen terugkeren naar de Vader en naar Vaders huis.

De vader uit de gelijkenis is duidelijk het beeld van God, de Vader, die diep bewogen raakt als hij over Efraïm (Israël, de tien stammen) spreekt.

Jeremia 31:20 – Is Efraïm niet Mijn geliefde zoon, is hij niet Mijn oogappel? Telkens als Ik over hem spreek rijst zijn beeld in Mij op, dan raak Ik diep bewogen. Ik móet Mij over hem ontfermen – spreekt de HEER.

En is de oudste zoon in de gelijkenis niet het beeld van “Juda, en de Israëlieten die bij hem horen” (Ezechiël 37:16)?

De gelijkenis heeft een open einde. Dat dwingt ons ertoe er verder over na te denken. Zou de oudste zoon toch naar binnen zijn gegaan om mee te vieren dat zijn broer is teruggevonden? In het algemeen wordt nogal negatief gesproken over de oudste zoon. Maar is dat terecht? Verplaats je eens in zijn positie? Zouden wij dan zoveel anders reageren? Hoe dan ook, als Jeshua het verhaal van de gelijkenis verder zou hebben verteld, dan had Hij vast en zeker verteld dat de oudste zoon ten slotte naar binnen is gegaan om samen met zijn vader mee te vieren dat zijn verloren broer is teruggevonden. De Vader heeft immers Zelf beloofd dat het weer goed zal komen tussen de beide broers.

Jesaja 11:13 – Efraïms afgunst zal verdwijnen, aan Juda’s vijandschap komt een eind. Efraïm is niet meer afgunstig op Juda, Juda is Efraïm niet meer vijandig.

Als je de strekking van deze gelijkenis begrijpt, dan zul je het nooit meer hebben over de gelijkenis van de ‘verloren zoon’, maar over de gelijkenis van de ‘teruggevonden zoon’! Want dáár gaat het de Vader om: “om te zoeken en te redden wat verloren was” (Lucas 19:10)!

Dat wordt trouwens ook duidelijk in de gelijkenis van de arme weduwe, die tien drachmen heeft en er één verliest. Een drachme was een geldstuk ter waarde van één dagloon. Ze veegt haar hele huis schoon en zoekt alles af tot ze het muntstuk gevonden heeft. En als ze het dan eindelijk gevonden heeft, is ze zo blij dat ze haar vriendinnen op de koffie uitnodigt om te vieren dat ze haar verloren drachme heeft teruggevonden (Lucas 15:8-10).

Dat het de Vader om echt alle verloren schapen van het huis Israëls gaat, geen enkele uitgezonderd, wordt bevestigd in de gelijkenis die Jeshua verteld van de herder, van wie één van zijn honderd schapen in de bergen is afgedwaald. De herder laat de negenennegentig andere schapen achter om het verdwaalde schaap te gaan zoeken. En als hij het vindt, tilt hij het op zijn schouders en is hij méér verheugd over dat ene teruggevonden schaap, dan over de negenennegentig andere, die niet afgedwaald waren (Mattheüs 18:10-14).

Het is overduidelijk dat de herder uit de gelijkenis het beeld is van God, de Vader, want bij monde van Jeremia belooft Hij: “Ik zal Zelf naar Mijn schapen omzien en Zelf voor ze zorgen. Zoals een herder naar zijn kudde op zoek gaat als zijn dieren verstrooid zijn geraakt, zo zal Ik naar Mijn schapen op zoek gaan en ze redden, uit alle plaatsen waarheen ze zijn verdreven op een dag van dreigende, donkere wolken. Ik zal ze uit alle volken terughalen en uit alle landen bijeenbrengen, Ik zal ze naar hun eigen land laten terugkeren.” (Ezechiël 34:11-13),

God zond Zijn Zoon naar de wereld om “de verloren schapen van het huis van Israël” (Mattheus 15:24) te zoeken en te redden. Omdat Israël zich niet door Hem, bij Zijn eerste komst, tot de Vader wilde laten terugbrengen, is het heil tot de heidenen gekomen. Daaruit mag je afleiden dat Israëls verblinding voor Jeshua als de Messias, door God Zelf op het volk is gelegd, want Hij vond het immers te gering om alleen Israël te redden; Hij wilde de redding van alle mensen.

Ik noemde het al eerder: na negentien eeuwen ellende is nú voor Israël de tijd van genade gekomen. God houdt Zich niet langer meer verborgen voor Zijn volk (Jesaja 54:8; Jeremia 32:37-41). Dat betekent dat Jeshua’s wederkomst aanstaande is en daarmee ook het moment waarop Hij het volk van Jacob in zijn geheel naar de Vader zal terugbrengen (Micha 2:12) en Hij Zijn engelen erop uit zal sturen om de verdrevenen van Israël naar hun eigen land terug te brengen (Mattheüs 24:31). Hij zal alle verloren schapen van het huis Israëls zoeken en redden. Hij zal ze allemaal naar de Vader terugbrengen en niemand van hen achterlaten (Ezechiël 39:28).

2 reacties op “Ik zal niemand achterlaten

  1. 1
    Gert Visser zei: op 22 March 2017 om 01:03

    “Jammer genoeg is in de meeste vertalingen, ook in de NBV, de bijzin “maar Israël zal zich niet laten verzamelen” bij het vertalen weggevallen.”

    Dat is niet alleen jammer, dat riekt naar sabotage! En ik vindt het ook geen bijzin, het is een essentieel stukje tekst, eigenlijk de kwintessens van dit gedeelte.

    Helaas ontbreekt me momenteel de tijd om me er echt in te verdiepen dus verlaat ik me op jouw in deze. Mooie blog.

    Beantwoord reactie | Je beantwoordt nu deze reactie
  2. 2
    Antje zei: op 18 March 2017 om 14:00

    Halleluja voor Koning Jeshua Hij zal zijn er zijn voor alle volken…
    Mooie weblog thanks voor je bemoediging

    Beantwoord reactie | Je beantwoordt nu deze reactie

Reageer

Je email adres is nooit zichtbaar. Required fields are marked *

*

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>