Iedere morgen proclameren wij het Woord van God voor IsraelIedere morgen proclameren wij het Woord van God voor Israel

Gods liefde voor Israël

Gepubliceerd Saturday, 22 October, 2011 in

Download ‘Ik zal’ proclamaties (pdf).

De HEER heeft Uw voorouders liefgehad en hun nageslacht uit-
gekozen, en Hij zelf heeft U met zijn grote macht uit Egypte be-
vrijd en ter wille van U volken verdreven die groter en machtiger
waren dan U, om U hun land binnen te leiden en het U in eigen-
dom te geven, zoals dat nu gebeurt. (Deuteronomium 4:37-38)

`Want U bent een volk dat aan de HEER, Uw God, is gewijd. U
bent door Hem uitgekozen om, anders dan alle andere volken
op aarde, zijn kostbaar bezit te zijn. Het is niet omdat U talrijker
was dan de andere volken dat hij U lief kreeg en uitkoos ­ U was
het kleinste van allemaal! Maar omdat Hij U liefhad en zich wil-
de houden aan wat Hij Uw voorouders onder ede had beloofd…
(Deuteronomium 7:6-8)

Maar omdat de HEER, Uw God, U liefhad, heeft Hij Bileam geen
gehoor geschonken en de vervloeking in een zegening omgezet.
(Deuteronomium 23:6)

Hij vond het in een dorre woestijn, in een niemandsland vol
van gevaar. Hij omringde het met zorg en met liefde, koesterde
het als zijn oogappel. Zoals een arend over zijn jongen waakt en
voortdurend erboven blijft zweven, zijn vleugels uitspreidt en
zijn jongen daarop draagt, zo heeft de HEER zijn volk geleid…
(Deuteronomium 32:10-12)

Hij kreeg Israëls stammen lief, Hij hield al de zijnen in zijn hand.
Ze waren gezeten aan zijn voeten en ontvingen zijn onderwijzing.
De HEER laat zijn lieveling bij zich schuilen. Zijn kind omarmt
Hem van vroeg tot laat, het nestelt zich veilig op zijn rug. Wie is
zo gelukkig als U, Israël? Geen ander volk liet de HEER de over-
winning. Hij is het schild dat U beschermt…
(Deuteronomium 33:3,12,29)

Hij koos voor ons een eigen land, de trots van Jakob, het volk dat
Hij liefheeft. (Psalm 47:5)

Geef Uw duifje niet prijs aan de wilde dieren, vergeet Uw verne-
derd volk niet voorgoed. (Psalm 74:19)

Tegen Uw volk smeden zij een complot, ze spannen tegen Uw
lieveling samen, en zeggen: `Kom, wij verdelgen dit volk, Israëls
naam zal nooit meer worden genoemd.’ (Psalm 83:4-5)

Zij vertrappen Uw volk, HEER, onderdrukken Uw liefste bezit,
Nee, de HEER zal zijn volk niet verstoten, zijn liefste bezit niet
verlaten. (Psalm 94:5,14)

Hij verhoogt het aanzien van zijn volk, de roem van al wie Hem
trouw zijn, het volk van Israël, dat Hem nabij is. (Psalm 148:14)

Op die dag zal de HEER het land tot bloei brengen, het zal als een
kostbaar sieraad zijn. (Jesaja 4:2)

Israël is de wijngaard van de HEER van de hemelse machten, de
uitgelezen aanplant zijn de inwoners van Juda. (Jesaja 5:7)

Op die dag zal men de prachtige wijngaard bezingen. Ik, de HEER,
houd de wacht over mijn wijngaard, steeds opnieuw bevloei Ik
hem. Dag en nacht zal Ik de wacht houden… (Jesaja 27:2-3)

Luister naar Mij, volk van Jakob en al wat er van Israël nog over
is ­ van de moederschoot af door Mij gedragen, door Mij gekoes-
terd vanaf de geboorte: Tot in je ouderdom blijf Ik dezelfde, tot
in je grijsheid zal Ik je steunen. Wat Ik gedaan heb, zal Ik blijven
doen, Ik zal je steunen en beschermen. (Jesaja 46:3-4)

Maar jou, Israël, mijn dienaar, Jakob, die Ik uitgekozen heb, na-
komeling van Abraham, mijn vriend… (Jesaja 41:8)

Men noemt je niet langer Verlatene en je land niet langer Troos-
teloos oord, maar je zult heten mijn verlangen en je land mijn
bruid. Want de HEER verlangt naar jou en je land wordt ten
huwelijk genomen. Zoals een jongeman een meisje tot vrouw
neemt, zo zullen jouw zonen jou ten huwelijk nemen,en zoals de
bruidegom zich verheugt over zijn bruid, zo zal je God zich over
jou verheugen. en jij zult `Geliefde’ heten, `Nooit verlaten stad’.
(Jesaja 62:4,5,12)

Ik heb mijn volk verlaten, mijn bezit opgegeven, mijn zielsbe-
minde aan haar vijanden overgeleverd. (Jeremia 12:7)

Dit zegt de HEER: In de woestijn kreeg Ik Israël lief, het volk
dat aan vernietiging ontkomen was. Ik ging hun voor en gaf hun
vrede. Van ver ben Ik naar je toe gekomen, vrouwe Israël. Ik heb
je altijd liefgehad, mijn liefde zal je altijd vergezellen. Ik breng je
weer tot bloei. (Jeremia 31:2-4)

Is Efraïm niet mijn geliefde zoon, is hij niet mijn oogappel? Tel-
kens als Ik over hem spreek rijst zijn beeld in Mij op, dan raak
Ik diep bewogen. Ik móet Mij over hem ontfermen ­ spreekt de
HEER. (Jeremia 31:20)

Ik zal een eeuwig verbond met hen sluiten, Ik keer Mij nooit meer
van hen af en zal hen altijd zegenen. Ik zal hen met ontzag voor
Mij vervullen, zodat zij zich nooit meer van Mij zullen afkeren. Ik
zal er weer vreugde in vinden hen te zegenen en zal hen voorgoed
in dit land planten. Met hart en ziel zal Ik dat doen.
(Jeremia 32:40-41)

Ik zal het volk reinigen van alle wandaden waarmee het tegen Mij
gezondigd heeft. Ik zal het alle wandaden vergeven waarmee het
willens en wetens tegen Mij gezondigd heeft. Jeruzalem zal Mij
weer vreugde geven en Mij lof en roem brengen bij alle volken op
aarde. Die zullen horen hoeveel geluk en voorspoed Ik Jeruzalem
schenk, en huiveren van ontzag. (Jeremia 33:8-9)

Ik keer mijn gelaat af van mijn volk, en de plaats die Mij het liefst
is wordt door rovers platgetreden en ontwijd. (Ezechiël 7:22)

Je was bij alle volken beroemd om je schoonheid, en je schoon-
heid was volmaakt want ze kwam van Mij ­ spreekt God, de
HEER. (Ezechiël 16:14)

Op die dag zwoer Ik hun dat Ik hen uit Egypte weg zou leiden
naar het land dat Ik voor hen had uitgezocht, een land dat over-
vloeit van melk en honing, de parel onder de landen van de we-
reld. (Ezechiël 20:6)

Toen Israël nog een kind was, had Ik het lief; uit Egypte heb Ik
mijn zoon weggeroepen. Hoe harder ze geroepen werden, hoe
meer ze hun eigen weg gingen. Ze brachten offers aan de Baäls en
brandden wierook voor godenbeelden ­ terwijl Ik het toch was
die Efraïm leerde lopen en hem op mijn arm nam. Maar zij besef-
ten niet dat Ik hen verzorgde. Zacht leidde Ik hen bij de teugels,
aan koorden van liefde trok Ik hen mee; Ik verloste hen van het
juk om hen te laten eten, Ik hield hun het voer zelfs nog voor…
Ach Efraïm, hoe zou Ik je ooit kunnen prijsgeven? Hoe zou Ik je
kunnen uitleveren, Israël? Zou Ik je prijsgeven als Adma, je laten
ondergaan als Seboïm? mijn hart wordt verscheurd, door barm-
hartigheid word Ik bewogen. (Hosea 11:1-5,8)

Ik genees hen van hun ontrouw, mijn hart gaat naar hen uit. mijn
toorn heb Ik laten varen. Ik zal voor Israël zijn als de dauw. Het
zal bloeien als een lelie, wortelen als een ceder op de Libanon;
zijn jonge loten zullen uitlopen. Het zal als een prachtige olijf-
boom pronken en geuren als de ceders op de Libanon.
(Hosea 14:5-7)

Weid Uw volk met Uw staf, Uw geliefde kudde die eenzaam leeft
in het woud, omringd door vruchtbaar land. (Micha 7:14)

Jubel, vrouwe Sion, zing van vreugde, Israël, juich met heel je
hart, vrouwe Jeruzalem! De HEER heeft het vonnis over jou te-
nietgedaan en je vijand verdreven. De HEER, de koning van Is-
raël, is in je midden, je hebt geen kwaad meer te vrezen. Op die
dag zal men tegen Jeruzalem zeggen: `Wees niet bang, Sion! Laat
de moed niet zinken!’ De HEER, je God, zal in je midden zijn, Hij
is de held die je bevrijdt. Hij zal vol blijdschap zijn, verheugd over
jou, in zijn liefde zal Hij zwijgen, in zijn vreugde zal Hij over je ju-
belen. Alle treurenden zal Ik bijeenbrengen, verzamelen wie op je
feesten moesten ontbreken. Hun vernedering drukte zwaar op de
stad. In die tijd zal Ik afrekenen met je verdrukkers, de kreupelen
zal Ik redden, de verstrooiden bijeenbrengen. En hen die in de
hele wereld werden veracht zal Ik met eer en roem overladen. In
die tijd breng Ik jullie terug. Ik zal jullie verzamelen, je zult met
eer en roem overladen worden door alle volken op aarde. Met
eigen ogen zullen jullie zien hoe Ik je lot ten goede keer ­ zegt de
HEER. (Sefanja 3:14-20)

`Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Brandend van liefde
neem Ik het op voor Jeruzalem en Sion, en ziedend van woede
ben Ik op de zelfgenoegzame volken. Ik had mijn toorn immers al
weer laten varen, maar zij hebben mijn volk steeds harder aange-
pakt. Daarom ­ zegt de HEER – keer Ik vol erbarmen terug naar
Jeruzalem. Mijn huis zal er worden herbouwd –
(Zacharia 1:14,15)

Want de HEER van de hemelse machten, die mij zijn grootheid
heeft geopenbaard en die mij gezonden heeft, zegt over de volken
door wie jullie geplunderd zijn: `Wie aan mijn volk komt, komt
aan mijn oogappel. (Zacharia 2:12)

Op die dag zal God, de HEER, zijn volk als een kudde in veilig-
heid brengen. Als edelstenen in een kroon zullen ze fonkelen op
zijn land. Wat schitterend! Wat mooi! Jonge mannen en vrouwen
bloeien op, gesterkt door wijn en graan. (Zacharia 9:16,17)

Ik heb jullie lief – zegt de HEER -, en jullie zeggen: `Waaruit blijkt
die liefde dan?’ zijn Jakob en Esau geen broers? – spreekt de
HEER. Toch heb Ik Jakob liefgehad en Esau gehaat.
(Maleachi 1:2-3)